capita_selecta:aandelen:aandelen
Differences
This shows you the differences between two versions of the page.
| Next revision | Previous revision | ||
| capita_selecta:aandelen:aandelen [2021/07/05 11:59] – aangemaakt avdoesum | capita_selecta:aandelen:aandelen [2025/12/21 16:03] (current) – [4.Literatuur] avdoesum | ||
|---|---|---|---|
| Line 8: | Line 8: | ||
| ====1. Aantekeningen==== | ====1. Aantekeningen==== | ||
| + | |||
| + | De Belastingdienst heeft naar aanleiding van een WOO-verzoek {{ : | ||
| + | |||
| + | - In de praktijk zijn er vaak discussies over de toepassing van de btw-vrijstelling voor diensten die worden verricht door corporate finance advisors en die zijn gericht op het tot stand brengen van aandelentransacties. Uit de gepubliceerde stukken blijkt dat er afgelopen jaren een landelijk beleid is gevoerd om dergelijke diensten in beginsel aan te merken als btw-belaste diensten die betrekking hebben op advisering over en het begeleiden van de aandelentransactie (in plaats van sec bemiddeling bij aandelentransacties, | ||
| + | - Eind vorig jaar heeft Rechtbank Den Haag een uitspraak gedaan waarin aftrek van btw op verkoopkosten voor 50% werd toegestaan op het niveau van de verkochte entiteit. Omdat btw op verkoopkosten bij de target in de regel niet als aftrekbaar werd gezien (aandeelhouderskosten), | ||
| + | - Bij de verkopende aandeelhouder komt de btw op verkoopkosten onder bepaalde voorwaarden voor aftrek in aanmerking. In Nederland biedt een besluit uit 2004 extra mogelijkheden voor btw-aftrek, al staat dit besluit al langer ter discussie omdat het (sterk) lijkt af te wijken van jurisprudentie van het HvJ EU. Blijkens de interne stukken staat de Belastingdienst nog steeds achter toepassing van het besluit in de praktijk, zolang het besluit niet is ingetrokken of is aangepast. Daarover wordt op het Ministerie van Financiën al langere tijd nagedacht en is vorig jaar nog een overleg geweest met vertegenwoordigers van Belastingdienst, | ||
| ---- | ---- | ||
| Line 13: | Line 19: | ||
| ====2. Regelgeving==== | ====2. Regelgeving==== | ||
| + | ===2.1 Intrekking holdingresolutie=== | ||
| + | |||
| + | ==2.1.1 PwC Nieuwsbericht== | ||
| + | |||
| + | PwC Belastingnieuws: | ||
| + | |||
| + | Op 10 december 2024 heeft de staatssecretaris van Financiën twee belangrijke beleidsbesluiten gepubliceerd over de btw-positie van houdstervennootschappen. Deze besluiten vervangen o.a. de holdingresolutie en geven invulling aan het btw-aftrekrecht van houdstervennootschappen en opname van houdstervennootschappen in de fiscale eenheid btw. | ||
| + | |||
| + | **Wat betekent dit voor uw organisatie? | ||
| + | |||
| + | Het btw-aftrekrecht van houdsteractiviteiten is een doorlopend onderwerp van discussie tussen ondernemers en de Belastingdienst, | ||
| + | |||
| + | De besluiten die worden ingetrokken worden in de praktijk regelmatig ingeroepen in discussies en afspraken tussen ondernemers en de Belastingdienst over (de omvang van) het recht op aftrek van houdstervennootschappen. Nu deze besluiten worden ingetrokken, | ||
| + | |||
| + | Het gewijzigde Besluit Aftrek geeft bovendien inzicht in de zienswijze van de Belastingdienst op de btw-behandeling van aandelentransacties. Ondernemers zullen van geval tot geval beoordelen moeten beoordelen of hun aandelentransacties binnen de werkingssfeer van de btw vallen, of de btw op transactiekosten aftrekbaar is en welke verdere gevolgen dit heeft voor het recht op aftrek van btw. | ||
| + | |||
| + | **Nieuwe beleidsbesluiten** | ||
| + | |||
| + | De Holdingresolutie (besluit van 18 februari 1991) en het Besluit verkoop aandelen (besluit van 3 augustus 2004) staan op gespannen voet met het Unierecht, met name in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie (“HvJ" | ||
| + | |||
| + | **1. Besluit Aftrek** | ||
| + | |||
| + | Het aangepaste Besluit Aftrek bevat richtsnoeren voor het bepalen van (de omvang van) het recht op aftrek bij handelingen inzake aandelen. Eerst is van belang om vast te stellen of deze handelingen plaatsvinden in de hoedanigheid van ondernemer. Vervolgens dient de omvang van het recht op aftrek te worden bepaald. Het nieuwe Besluit geeft voor deze stappen aanwijzigingen. Ook bevat het nieuwe besluit enkele uitgangspunten ter vaststelling van de berekeningsmethode van het pro rata recht op aftrek. | ||
| + | |||
| + | //Houden van aandelen als ondernemer// | ||
| + | |||
| + | De staatssecretaris onderscheidt drie situaties waarin handelingen inzake aandelen plaatsvinden in de hoedanigheid van ondernemer en sluit daarmee aan bij de heersende doctrine van het HvJ. Handelingen inzake aandelen worden verricht als ondernemer indien (1) de ondernemer zich tegen vergoeding mengt in het beheer van de deelneming, (2) de aandelen een rechtstreeks, | ||
| + | |||
| + | Het besluit bevat geen concrete voorbeelden van inmenging in het beheer, maar wel de op Europese jurisprudentie gebaseerde vaststelling dat dit (het totaal van) de handelingen inhoudt die de ondernemer ten behoeve van haar dochteronderneming verricht, die een belastbare economische activiteit vormen. Eerdere jurisprudentie deed vermoeden dat deze activiteit verband moet houden met het management van de deelneming, maar in het arrest Marle Participations heeft het HvJ verduidelijkt dat dit niet is vereist en dit besluit sluit daarbij aan. Ook is expliciet opgenomen dat voor inmenging niet is vereist dat de aandelen een meerderheidsdeelneming vormen. Daarmee doet de staatssecretaris afstand van de tegengestelde zienswijze die in het per 1 juli 2025 ingetrokken Besluit verkoop aandelen naar voren komt. | ||
| + | |||
| + | Het houden van aandelen als een rechtstreeks, | ||
| + | |||
| + | //Aftrek btw op transactiekosten// | ||
| + | |||
| + | Om vervolgens de omvang van het recht op aftrek te beoordelen, is eerst van belang om vast te stellen of de betreffende kosten kwalificeren als directe kosten of als algemene kosten. Om dit onderscheid te duiden sluit de staatssecretaris aan bij de relevante rechtsoverwegingen uit jurisprudentie van het HvJ. Van directe toerekening is sprake als een rechtstreekse en onmiddelijke samenhang bestaat tussen de ingekochte prestatie en de handeling inzake aandelen, afhankelijk van de objectieve inhoud en aard van de ingekochte prestatie. Voor zover dit niet het geval is, kunnen die kosten onderdeel uitmaken van de algemene kosten van de ondernemer. Dergelijke kosten hebben een rechtstreekse en onmiddelijke samenhang met de gehele economische activiteit van de onderneming. | ||
| + | |||
| + | De staatssecretaris richt zich in dit verband specifiek op de verkoop van aandelen en maakt daarbij onderscheid tussen transactiekosten die een ondernemer voorafgaand aan de verkooptransactie maakt en kosten die achteraf opkomen. De kosten die aan de aandelentransactie vooraf gaan zijn directe kosten als deze uitsluitend zijn gedaan met het oog op de belastbare aandelenverkoop. Kosten die achteraf worden gemaakt zijn geen directe, maar algemene kosten indien de uitsluitende oorzaak van deze kosten niet is gelegen in een belastbare aandelenverkoop. Het is de vraag of dit onderscheid relevant en terecht is in het licht van de jurisprudentie van het HvJ, waar de staatssecretaris naar verwijst. Zowel uit Nederlandse als Europese jurisprudentie is af te leiden dat verkoopkosten wel degelijk als algemene kosten kunnen worden aangemerkt, ook indien deze vóór de verkoop worden gemaakt. | ||
| + | |||
| + | //Omvang van het recht op aftrek// | ||
| + | |||
| + | De btw op kosten die direct verband houden met de verkoop van aandelen komt in beginsel niet voor aftrek in aanmerking. Dat is anders indien de aandelen als ondernemer worden gehouden en degene aan wie de aandelen worden verkocht buiten de EU is gevestigd. Als de kosten echter onderdeel uitmaken van de algemene kosten van de ondernemer, is de omvang van het aftrekrecht afhankelijk van het geheel van diens economische en niet-economische activiteiten. Dit leidt mogelijk tot een gedeeltelijk recht op aftrek, afhankelijk van de pro rata en de pre-pro rata. | ||
| + | |||
| + | //Pro rata// | ||
| + | |||
| + | De opbrengst uit de verkoop van aandelen maakt op basis van het nieuwe besluit geen deel uit van een dergelijke pro rata berekening als de aandelentransactie een bijkomstige financiële handeling vormt. Dat is het geval als voor deze transactie relatief beperkt gebruik wordt gemaakt van de kosten van de ondernemer en deze transactie geen kernactiviteit vormt van de ondernemer. Dat is volgens de staatssecretaris in elk geval niet aan de orde bij een participatie- of investeringsmaatschappij die betrokken is bij investeringen met private equity. Verkopen vanuit een concern of fiscale eenheid lijken juist wel te kunnen worden gezien als bijkomstige financiële handeling, waardoor in die gevallen een impact op het aftrekrecht achterwege blijft. | ||
| + | |||
| + | De staatssecretaris maakt bovendien van de gelegenheid gebruik om een bestaand onderdeel van dit besluit te wijzigen dat ziet op de berekening van het pro rata op basis van de werkelijk-gebruikmethode, | ||
| + | |||
| + | //Pre-pro rata// | ||
| + | |||
| + | De staatssecretaris heeft geen verdere invulling gegeven aan de wijze waarop de pre-pro rata berekend dient te worden. Uit onderdeel 3.3.3 van het thans geldende besluit volgt dat deze berekening het daadwerkelijke gebruik objectief moet weergeven. In de praktijk leidt dit echter tot uiteenlopende berekeningsmethoden en discussie over het daadwerkelijke gebruik. | ||
| + | |||
| + | **2. Besluit belastingplicht en fiscale eenheid btw** | ||
| + | |||
| + | //Niet belastingplichtige houdsters in de fiscale eenheid// | ||
| + | |||
| + | In Nederland kunnen niet-ondernemers in beginsel geen deel uitmaken van een fiscale eenheid btw. Dat geldt dus ook voor zuivere holdings die geen andere activiteiten hebben dan het houden van aandelen. Wel is er een goedkeuring opgenomen in de houdsterresolutie voor ‘moeiende houdsters’. Dergelijke houdsters die geen ondernemer zijn maar een sturende en beleidsbepalende functie vervullen binnen het concern, kunnen onder voorwaarden deel uitmaken van de fiscale eenheid btw. | ||
| + | |||
| + | Deze goedkeuring uit de holdingresolutie wordt in feite verplaatst naar dit nieuwe besluit. Ook de daaraan verbonden voorwaarde dat een schriftelijk verzoek tot opneming in de fiscale eenheid moet worden ingediend, is ongewijzigd. | ||
| + | |||
| + | In het nieuwe besluit wordt deze goedkeuring uitgebreid waardoor ook tussenhoudsters hiervoor in aanmerking komen. In afwijking van de huidige houdsterresolutie is in dit nieuwe besluit expliciet de voorwaarde gesteld dat de moeiende houdster aan de vereisten van financiële, | ||
| + | |||
| + | //Overige aanpassingen// | ||
| + | |||
| + | De invulling van de verwevenheidseisen die gelden voor het vormen van een fiscale eenheid in de zin van artikel 7 lid 4 Wet OB is verder uitgewerkt in dit nieuwe besluit. Het besluit geeft nadere uitleg en voorbeelden van situaties waarin deze verwevenheden kunnen worden vastgesteld. De talrijke voorbeelden verduidelijken deze criteria maar roepen ook nieuwe vragen op. Bovendien heeft de A-G in een recent verschenen conclusie geadviseerd dat het vereiste van de financiële verwevenheid dient te worden versoepeld. De Hoge Raad is nu aan zet maar het lijkt vrijwel onontkoombaar dat een belangrijk deel van de in het nieuwe besluit besproken situaties door het te verwachten Hoge Raad-arrest zal worden ingehaald. | ||
| + | |||
| + | Voor het overige heeft dit besluit betrekking op de btw-heffing bij werkzaamheden van toezichthouders en leden van diverse commissies. Dit is grotendeels in overeenstemming met het reeds bestaande besluit over dit onderwerp en bevat enkele redactionele wijzigingen en aanpassingen in verband met de invoering van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. | ||
| + | |||
| + | [[https:// | ||
| ---- | ---- | ||
| ====3. Jurisprudentie==== | ====3. Jurisprudentie==== | ||
| + | |||
| + | * [[https:// | ||
| + | * Hof Amsterdam, 26 januari 2009, nr. P07/00152 (Geen bemiddeling aandelen, wel bemiddeling OG) | ||
| + | * HR 23 februari 2007, nr. 41591, BNB 2007/167 (Verkrijging aandelen in monumentlichaam aangemerkt als verkrijging monument) | ||
| + | * HR 22 april 2011, nr. 09/00760 (Verkoop aandelen OG lichaam) | ||
| + | |||
| ---- | ---- | ||
| Line 22: | Line 103: | ||
| * [[https:// | * [[https:// | ||
| + | * {{ : | ||
| + | * W.P. Otto, Economische activiteiten van een venture capital fund, Btw Brief 1999, nr. 4 | ||
| + | * H.W.M. van Kesteren en A.J. van doesum, Beursgang en btw, Btw-bulletin 2000, nr. 2 | ||
| + | * W.A.P. Nieuwenhuizen, | ||
| + | * W.P. Otto, Merchantbankers en Ratings, Btw Brief 1999, nr. 2 | ||
| + | * W.P. Otto, Speciale effecten, Btw Brief 1999, nr. 8/9 | ||
| + | * M. Geers, Btw en beursgang, MBB 2001/61 | ||
| + | * R. de la Feira, When do dealings in shares fall within the scope of VAT?, EC Tax Review 2008-1 | ||
| + | * W.A.P. Nieuwenhuizen, | ||
| + | * W.A.P. Nieuwenhuizen, | ||
| + | * A.H. Bomer en H.W.M. van Kesteren, De houdstermaatschappij: | ||
| + | * T. Braakman en H.W.M. van Kesteren, De btw-positie van de moeiende houdstermaatschappij, | ||
| + | * R.N.G. van der Paardt, Overdracht Btw-onderneming uit het graf herrezen?, WFR 2000/19 | ||
| + | * W.A.P. Nieuwenhuizen, | ||
| + | * W.A.P. Nieuwenhuizen, | ||
| + | * K.M. Braun, De Btw-belastingplicht van moeiende holdings: een legpuzzel waarvan de stukjes niet passen, WFR 1999/167 | ||
| + | * P.C.J. Oerlemans, Door het Harnas-arrest in het harnas gejaagd, WFR 1998/691 | ||
| + | * A.J. van Doesum, G.J. van Norden en H.W.M. van Kesteren, Share Disposals and the Right of Deduction of Input VAT, EC Tax Review 2010-2 | ||
| + | |||
| ---- | ---- | ||
capita_selecta/aandelen/aandelen.1625479146.txt.gz · Last modified: by avdoesum
