Site Tools


formeel:boete

Differences

This shows you the differences between two versions of the page.

Link to this comparison view

Both sides previous revisionPrevious revision
Next revision
Previous revision
formeel:boete [2026/02/10 14:42] – [1.13 Lex Certa] avdoesumformeel:boete [2026/06/08 11:25] (current) – [1.1 Boete bij overlijden] avdoesum
Line 15: Line 15:
 ====1. Aantekeningen==== ====1. Aantekeningen====
  
 +===1.1 Boete bij overlijden===
 +
 +  * Een niet onherroepelijk vaststaande bestuurlijke boete vervalt wanneer de overtreder is overleden (art. 5:42, lid 1 Awb). 
 +  * Een onherroepelijk vaststaande boete vervalt voor zover deze op het moment van overlijden nog niet is betaald. (art. 5:42, lid 1 Awb)
 +  * Boete nog niet onherroepelijk bij overlijden: boete vervalt. HR 16 september 2022, [[https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2022:1224|ECLI:NL:HR:2022:1224]]
  
 ---- ----
Line 132: Line 137:
   * Als uitvloeisel van het legaliteitsbeginsel geldt in strafzaken het lex certa-beginsel.  Volgens dat beginsel moet de wetgever met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze een verboden gedraging omschrijven.  De wettelijke norm moet zo precies zijn dat iemand, zo nodig na advies, erdoor in staat wordt gesteld om in de gegeven omstandigheden in redelijke mate te voorzien welke gevolgen een bepaalde handeling kan hebben. Dat vereist in ieder geval dat de invulling van een wettelijke bepaling voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar dient te zijn. Daarbij is het niet uitgesloten dat de wetgever zich van algemene termen, vage normen of doelvoorschriften bedient. Zie ook: HR 11 oktober 2024, [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:1422|ECLI:NL:HR:2024:1422]].   * Als uitvloeisel van het legaliteitsbeginsel geldt in strafzaken het lex certa-beginsel.  Volgens dat beginsel moet de wetgever met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze een verboden gedraging omschrijven.  De wettelijke norm moet zo precies zijn dat iemand, zo nodig na advies, erdoor in staat wordt gesteld om in de gegeven omstandigheden in redelijke mate te voorzien welke gevolgen een bepaalde handeling kan hebben. Dat vereist in ieder geval dat de invulling van een wettelijke bepaling voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar dient te zijn. Daarbij is het niet uitgesloten dat de wetgever zich van algemene termen, vage normen of doelvoorschriften bedient. Zie ook: HR 11 oktober 2024, [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:1422|ECLI:NL:HR:2024:1422]].
   * HvJ, [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A62017CJ0042&qid=1770634154698|M.A.S en MB]] \\ “.. dat artikel 325, leden 1 en 2, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter krachtens deze bepaling verplicht is om in het kader van een strafrechtelijke procedure wegens strafbare feiten ter zake van de btw bepalingen over verjaring die deel uitmaken van het nationale materiële recht, buiten toepassing te laten indien deze bepalingen eraan in de weg staan dat doeltreffende en afschrikkende strafrechtelijke sancties worden opgelegd in een groot aantal gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, of indien in die bepalingen voor gevallen van ernstige fraude waardoor die belangen worden geschaad, verjaringstermijnen zijn vastgesteld die korter zijn dan voor gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden geschaad, tenzij niet-toepassing van de bepalingen in kwestie met zich meebrengt dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen wordt geschonden __doordat de toepasselijke wet onvoldoende nauwkeurig is__, of doordat met terugwerkende kracht een wettelijke bepaling wordt toegepast waarbij voorwaarden voor vervolgbaarheid worden vastgesteld die strenger zijn dan die welke van kracht waren toen het strafbare feit werd gepleegd.”   * HvJ, [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A62017CJ0042&qid=1770634154698|M.A.S en MB]] \\ “.. dat artikel 325, leden 1 en 2, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter krachtens deze bepaling verplicht is om in het kader van een strafrechtelijke procedure wegens strafbare feiten ter zake van de btw bepalingen over verjaring die deel uitmaken van het nationale materiële recht, buiten toepassing te laten indien deze bepalingen eraan in de weg staan dat doeltreffende en afschrikkende strafrechtelijke sancties worden opgelegd in een groot aantal gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, of indien in die bepalingen voor gevallen van ernstige fraude waardoor die belangen worden geschaad, verjaringstermijnen zijn vastgesteld die korter zijn dan voor gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden geschaad, tenzij niet-toepassing van de bepalingen in kwestie met zich meebrengt dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen wordt geschonden __doordat de toepasselijke wet onvoldoende nauwkeurig is__, of doordat met terugwerkende kracht een wettelijke bepaling wordt toegepast waarbij voorwaarden voor vervolgbaarheid worden vastgesteld die strenger zijn dan die welke van kracht waren toen het strafbare feit werd gepleegd.”
 +
 +----
 +
 +===1.14 Geen boete onjuiste aangifte bij ontgaan buitenlandse btw===
 +
 +  * [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:279}HR 20 februari 2026, nr. 23/00082, ECLI:NL:HR:2026:279]] \\ Omzetbelasting; bestuurlijke boete; art. 67f AWR; nultarief voor intracommunautaire leveringen geweigerd vanwege deelname aan btw-fraude in andere lidstaat; beboetbaar feit; opzet gericht op en/of grove schuld aan niet-betalen van omzetbelasting in Nederland? \\ **4.8.4** In een geval als het onderhavige, waarin met betrekking tot een intracommunautaire levering van goederen is voldaan aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief (zie hiervoor in 4.6.2), wordt volgens de Wet ter zake van een dergelijke levering geen omzetbelasting verschuldigd en hoeft dus geen omzetbelasting op aangifte te worden betaald; ter zake van de op deze intracommunautaire levering volgende intracommunautaire verwerving is btw verschuldigd in de lidstaat van bestemming. De Wet voorziet niet in een bepaling op grond waarvan in zo’n geval, achteraf, bij de leverancier van de goederen omzetbelasting wordt nageheven, ook niet als in de lidstaat van bestemming verschuldigde btw niet wordt geheven, ongeacht of een zodanige niet-heffing in die andere lidstaat het gevolg is geweest van fraude of misbruik. \\ Indien echter de inspecteur achteraf vaststelt dat die leverancier met zo’n intracommunautaire levering heeft deelgenomen aan een frauduleuze structuur met als gevolg dat ten onrechte geen btw is geheven in de lidstaat van bestemming, staat het op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en van de Hoge Raad4 aan die inspecteur om de belanghebbende het recht op toepassing van het nultarief te weigeren en ter zake van de intracommunautaire levering omzetbelasting van de leverancier na te heffen. Een zodanige naheffingsaanslag heeft met een ruime, richtlijnconforme uitleg van artikel 20, lid 1, AWR wettelijke grondslag. Die ruime uitleg kan echter niet opgaan voor een sanctiebepaling als artikel 67f, AWR, aangezien voor sanctiebepalingen geldt dat deze voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar moet zijn. Een zodanige ruime uitleg van het beboetbare feit van artikel 67f AWR zou meebrengen dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen5 wordt geschonden.6 Een zodanige naheffingsaanslag is dus niet de in artikel 67f, lid 3, AWR bedoelde naheffingsaanslag ter zake van het niet of gedeeltelijk niet op aangifte betalen van – in dit geval – omzetbelasting. De aldus door de inspecteur met inachtneming van de hiervoor bedoelde rechtspraak nageheven omzetbelasting was immers niet op grond van de Wet eerder verschuldigd geworden7 en hoeft volgens de Wet niet op aangifte te worden betaald, ook niet als noodzakelijk gevolg van de deelname aan de hiervoor bedoelde frauduleuze structuur. \\ **4.8.5** \\ Gelet op hetgeen hiervoor in 4.8.4 is overwogen, ziet artikel 67f, lid 1, AWR niet op het niet-betalen van omzetbelasting in gevallen waarin de naheffingsaanslag louter berust op het door de inspecteur wegens misbruik of fraude de leverancier ontnemen van het recht op toepassing van het nultarief. In zoverre komt de Hoge Raad dan ook terug van zijn rechtspraak8 waaruit volgt dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag in de omzetbelasting louter berust op het wegens misbruik of fraude ontnemen van het recht op toepassing van het nultarief, het beboetbare feit van artikel 67f, lid 1, van de Wet zich kan voordoen.
 +
  
 ---- ----
formeel/boete.1770730935.txt.gz · Last modified: by avdoesum