Site Tools


formeel:prejudiciele_procedure

Differences

This shows you the differences between two versions of the page.

Link to this comparison view

Both sides previous revisionPrevious revision
Next revision
Previous revision
formeel:prejudiciele_procedure [2026/01/14 18:41] – [1.3 Afzien van het stellen van prejudiciële vragen] avdoesumformeel:prejudiciele_procedure [2026/04/21 16:00] (current) – [1.3 Afzien van het stellen van prejudiciële vragen] avdoesum
Line 27: Line 27:
   * In Consorzio oordeelde het Hof van Justitie op basis van art. 267 lid 3 VWEU (verwijsplicht hoogste rechters) junctoart. 47 Handvest Grondrechten EU (eerlijk proces) dat nationale hoogste rechters, als zij een opgeworpen vraag van EU-recht niet prejudicieel voorleggen aan het Hof van Justitie, moeten aangeven dat die vraag ofwel (i) niet relevant is voor het geschil, ofwel (ii) al beantwoord is door het Hof van Justitie (acte éclairé), ofwel (iii) maar op één manier beantwoord kan worden (acte clair), dus één van de drie bekende Cilfit-uitzonderingen op hun verwijzingsplicht met zoveel woorden moeten noemen. **Bron:** //BNB 2025/21//    * In Consorzio oordeelde het Hof van Justitie op basis van art. 267 lid 3 VWEU (verwijsplicht hoogste rechters) junctoart. 47 Handvest Grondrechten EU (eerlijk proces) dat nationale hoogste rechters, als zij een opgeworpen vraag van EU-recht niet prejudicieel voorleggen aan het Hof van Justitie, moeten aangeven dat die vraag ofwel (i) niet relevant is voor het geschil, ofwel (ii) al beantwoord is door het Hof van Justitie (acte éclairé), ofwel (iii) maar op één manier beantwoord kan worden (acte clair), dus één van de drie bekende Cilfit-uitzonderingen op hun verwijzingsplicht met zoveel woorden moeten noemen. **Bron:** //BNB 2025/21// 
   * Arrest [[https://hudoc.echr.coe.int/fre#{%22itemid%22:[%22001-247860%22]}|Gondert tegen Duitsland]] over de motiveringsplicht bij het niet stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU   * Arrest [[https://hudoc.echr.coe.int/fre#{%22itemid%22:[%22001-247860%22]}|Gondert tegen Duitsland]] over de motiveringsplicht bij het niet stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU
 +  * Raad van State, 5 maart 2015, nr. 201500670/1/V2, [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2015:785|ECLI:NL:RVS:2015:785]] - Vreemdelingenrecht - Motivering niet stellen vragen \\ **1.1** (...) Ingevolge artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, zich bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel. (...) \\ 1.6. Uit het arrest Hansen kan worden afgeleid dat de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende algemene motiveringsplicht zich er niet tegen verzet dat een rechter met toepassing van een specifiek wettelijke bepaling volstaat met een beknopte motivering. Nu de motiveringsplicht ten aanzien van verzoeken om prejudiciële verwijzing een specifiek onderdeel vormt van de algemene motiveringsplicht, volgt hieruit dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM zich ook niet verzet tegen het afwijzen van een dergelijk verzoek met een beknopte motivering met toepassing van een specifiek wettelijke bepaling. \\ **1.7**. Een uitspraak met toepassing van en onder verwijzing naar artikel 91, tweede lid, Vw 2000 is een beknopt gemotiveerde uitspraak, als bedoeld in het arrest Hansen, en geeft aan dat hetgeen is aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Een zodanige uitspraak bevat tevens de vaststelling dat geen vragen aan de orde zijn die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Aangezien prejudiciële vragen op de voet van artikel 267 van het VWEU de uitleg van het Unierecht betreffen en daarmee rechtsvragen zijn, ligt in een dergelijke uitspraak besloten dat geen aanleiding bestaat om een prejudiciële vraag te stellen. De uitspraak impliceert daarmee dat zich in de betreffende zaak één van de situaties voordoet waarin van het stellen van prejudiciële vragen kan worden afgezien, te weten dat de opgeworpen prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil dan wel dat deze kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie of dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop deze vragen over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost (zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, punten 10, 13, 14 en 16). \\ **1.8.** Gelet op hetgeen hiervoor onder 1.6 is overwogen, is, anders dan de vreemdelingen betogen, een beknopt gemotiveerde uitspraak met toepassing van en onder verwijzing naar artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 in het geval een verzoek om prejudiciële verwijzing is gedaan, niet in strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM, zoals vervat in artikel 47 van het Handvest. Een zodanige uitspraak is evenmin in strijd met artikel 13 van het EVRM, zoals ook vervat in voormeld artikel 47. Het EHRM heeft in het arrest van 3 november 2011, Arvelo Aponte tegen Nederland, nr. 28770/05 (www.echr.coe.int) overwogen dat de omstandigheid dat een hoger beroep met een beknopte motivering ongegrond wordt verklaard, op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt dat geen daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM is geboden. \\ **1.9.** Derhalve bestaat geen aanleiding om in uitspraken met toepassing van en onder verwijzing naar artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 te vermelden dat is verzocht om prejudiciële vragen te stellen en afzonderlijk te motiveren dat en waarom een zodanig verzoek is afgewezen. Deze wijze van afdoening, die reeds voor het arrest Dhahbi is ingezet en na dat arrest is gehandhaafd, zal daarom worden voortgezet.
 +  * Remling, C-767/23
 +  * HvJ: Kuit
  
  
Line 54: Line 57:
  
 ---- ----
 +===1.7 Bevoegdheid Hof van Justitie tot beantwoording van prejudiciële vragen===
 +
 +Artikel 267 VWEU voorziet in een bevoegdheid van het Hof van Justitie tot beantwoording van onder meer vragen over de interpretatie en geldigheid van handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. Dergelijke vragen kunnen (soms: moeten) worden gesteld door een rechterlijke instantie van een van de lidstaten indien zij een beslissing op dat punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.\\ \\ Deze bevoegdheid van het Hof van Justitie geldt ook indien de desbetreffende bepalingen van het Unierecht niet rechtstreeks van toepassing zijn maar toepasselijk zijn gemaakt doordat het nationale recht naar de inhoud van die bepalingen verwijst (HvJ 18 oktober 1990, C-297/88 en C- 197/89, Dzodzi, ECLI:EU:C:1990:360, punten 36-39; HvJ 17 juli 1997, Leur-Bloem, C-28/95, ECLI:EU:C:1997:369, punt 34). Hetzelfde geldt indien het recht van de Unie toepasselijk is gemaakt door contractuele bepalingen (HvJ 25 juni 1992, C-88/91, Federconsorzi,ECLI:EU:C:1992:276, punt 8). Het kan gaan om een specifieke verwijzing, een bepaling die weliswaar strekt tot implementatie van EU-recht maar niet de beperking in werkingssfeer bevat die voortvloeit uit het geïmplementeerde EU-recht of om een algemene bepaling van nationaal recht die voorschrijft dat eigen onderdanen dezelfde rechten moeten worden toegekend als die een burger van een andere lidstaat in dezelfde omstandigheden aan het EU-recht zou ontlenen (HvJ 15 november 2016, C-268/15, Ullens de Schooten, ECLI:EU:C:2016:874). Ratio is dat de Europese Unie er belang bij heeft dat uit het Unierecht overgenomen bepalingen uniform worden uitgelegd teneinde uiteenlopende uitleggingen in de toekomst te vermijden.
 +In het verlengde van deze rechtspraak heeft het Hof van Justitie zich ook bevoegd geacht prejudiciële vragen te beantwoorden indien de feiten van het geschil weliswaar buiten de werking van het EU-recht vallen maar niet kan worden uitgesloten dat in andere lidstaten wonende burgers interesse zouden hebben gebruik te maken van marktvrijheden en de uitspraak van de nationale rechter dan voor hen betekenis zou kunnen hebben of dat deze betekenis ook in andere gevallen aan de orde is (HvJ 15 november 2016, C-268/15, Ullens de Schooten, ECLI:EU:C:2016:874, punten 50 en 51).\\ \\ Voorwaarde voor deze uitzondering op de regel dat het Hof van Justitie niet bevoegd is prejudiciële vragen te beantwoorden in zaken waarvan de feiten buiten de werkingssfeer van de bepalingen van EU-recht vallen waarnaar in de vragen wordt verwezen, is dat die bepalingen rechtstreeks en onvoorwaardelijk toepasselijk zijn gemaakt (HvJ 21 december 2011, C-482/10, Cicala, ECLI:EU:C:2011:868, punt 19; recent: HvJ 13 november 2025, C-197/24, Sil’arsky, ECLI:EU:C:2015:876, punt 37). \\ \\ Deze laatstgenoemde voorwaarde brengt mee dat de verwijzende rechter gebonden is aan de interpretatie die het Hof van Justitie geeft. Als uit het antwoord van het Hof van Justitie zou volgen dat het nationale recht in strijd is het verdragsrecht zal dat ook betekenis hebben voor de wettigheid van secundair Unierecht.\\ \\ De verwijzende rechter moet in zo’n geval motiveren in welk opzicht in het bij hem aanhangige geschil sprake is van aanknoping bij de bepalingen van het Unierecht zodat beantwoording van de vraag noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil ( HvJ 21 december 2021, C-38/21, C-47/21 en C-232/21, ECLI:EU:C:2023:1014, punt 207). 
 +
 +
 +----
 +
 +
  
  
formeel/prejudiciele_procedure.1768412469.txt.gz · Last modified: by avdoesum