SEM Remont, C-624/23
50 ** In dit verband heeft het Hof in het arrest van 15 september 2016, **Senatex (C‑518/14, EU:C:2016:691, punt 43), geoordeeld dat artikel 167, artikel 178, onder a), artikel 179 en artikel 226, punt 3, van de btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij
in de weg staan aan een nationale regeling krachtens welke de
correctie van een verplichte vermelding op een factuur, te weten het btw-identificatienummer, geen terugwerkende kracht heeft, waardoor het recht op btw-aftrek voor de gecorrigeerde factuur geen betrekking heeft op het jaar waarin deze factuur oorspronkelijk is opgesteld, maar op het jaar waarin zij is gecorrigeerd.
51 In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, was de btw echter als voorbelasting voldaan door de vennootschap die in haar belastingaangiften een aftrek van die btw had vermeld.
52 Zoals blijkt uit het arrest van 15 september 2016,
Barlis 06 – Investimentos Imobiliários e Turísticos (C‑516/14, EU:C:2016:690, punt 44), mag de
belastingdienst zich niet beperken tot een onderzoek van de factuur zelf. Hij
moet bovendien rekening houden met aanvullende informatie die de belastingplichtige verstrekt. Deze vaststelling vindt steun in artikel 219 van de btw-richtlijn, dat ieder document of bericht dat wijzigingen aanbrengt in de oorspronkelijke factuur en waarnaar specifiek en ondubbelzinnig wordt verwezen, gelijkstelt met een factuur.
53 Bijgevolg heeft het Hof in dit laatste arrest geoordeeld dat artikel 178, onder a), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen
verzet dat de nationale belastingautoriteiten h
et recht op btw-aftrek kunnen weigeren enkel en alleen omdat de belastingplichtige in het bezit is van een factuur die niet voldoet aan de in artikel 226, punten 6 en 7, van deze richtlijn gestelde voorwaarden,
ook al beschikken deze autoriteiten over alle informatie die noodzakelijk is om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dat recht.
54 Verder was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 15 september 2016, Barlis 06 – Investimentos Imobiliários e Turísticos (C‑516/14, EU:C:2016:690), de btw als voorbelasting betaald door de vennootschap waarvoor de aan btw onderworpen diensten waren verricht en was het die vennootschap die om btw-aftrek had verzocht.
55 Gelet op de overwegingen met betrekking tot de eerste vraag in de onderhavige zaak, die betrekking hebben op het feit dat SEM Remont geen recht op btw-aftrek heeft, moet worden benadrukt dat
volgens de rechtspraak van het Hof de in de btw-richtlijn vervatte regeling tot herziening van een ten onrechte toegepaste btw-aftrek niet van toepassing is wanneer de aftrek oorspronkelijk is toegepast zonder dat er een recht op aftrek bestond (zie in die zin arrest van 11 april 2018,
SEB bankas, C-532/16, EU:C:2018:228, punten 42 en 43).
56 Bovendien heeft het Hof in het arrest van 8 mei 2013,
Petroma Transports e.a. (C‑271/12, EU:C:2013:297, punten 34 en 35), geoordeeld dat het gemeenschappelijke btw-stelsel weliswaar niet verbiedt dat onjuiste facturen worden gecorrigeerd, maar dat dit niet wegneemt dat in het hoofdgeding in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, de
gegevens die nodig waren om die facturen te vervolledigen en te corrigeren,
waren verstrekt nadat de belastingdienst had beslist om het recht op btw-aftrek te weigeren. Bijgevolg waren de aan deze dienst overgelegde facturen op het tijdstip waarop deze beslissing is genomen, nog niet gecorrigeerd teneinde deze administratie in staat te stellen de juiste heffing van de btw en de controle daarvan te verzekeren.
57 In punt 36 van dat arrest heeft het Hof overwogen dat het geharmoniseerde btw-stelsel zich
niet verzet tegen een nationale regeling volgens welke belastingplichtige dienstontvangers
het recht op btw-aftrek kan worden geweigerd wanneer zij in het bezit zijn van onvolledige facturen,
ook al worden die facturen, nadat de beslissing tot weigering van aftrek is genomen, vervolledigd via overlegging van gegevens waaruit mogelijkerwijs blijkt dat de gefactureerde handelingen daadwerkelijk zijn verricht en waaruit ook de aard en het bedrag ervan aan het licht treden.
58 In het arrest van 23 april 2015,
GST – Sarviz Germania (C‑111/14, EU:C:2015:267, punt 39), betreffende de Bulgaarse regeling, heeft het Hof geoordeeld dat de on
mogelijkheid om de belastingdocumenten aan te passen in gevallen waarin elk gevaar voor verlies van belastinginkomsten definitief is uitgeschakeld, niet noodzakelijk is om de inning van de btw te verzekeren en fraude te voorkomen. \\
59 In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, had echter zowel de dienstverrichter als de afnemer van de betrokken diensten de btw voldaan, zodat de belastingdienst deze belasting tweemaal had geheven. Er bestond dus geen gevaar voor verlies van belastinginkomsten.
60 Dit is daarentegen niet het geval in een situatie als die in het hoofdgeding, aangezien, zoals in punt 41 van het onderhavige arrest is uiteengezet, de btw niet als voorbelasting is voldaan door SEM Remont en zij deze niet verschuldigd was.
61 Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat de btw-richtlijn en het beginsel van btw-neutraliteit aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat die uitsluit dat een factuur kan worden gecorrigeerd wanneer, ten eerste, de btw niet is vermeld op de factuur die de dienstverrichter aan de afnemer van een aan deze belasting onderworpen dienst heeft uitgereikt en, ten tweede, deze dienstverrichter tijdens een belastingcontrole een protocol heeft opgesteld waarin de btw is vermeld en waarin deze dienstverrichter ook als afnemer van die dienst is aangemerkt.