HR 12 Mei 2023, nr. 20/01740, ECLI:NL:HR:2023:691
3.2.2 Blijkens de tekst van artikel 12, lid 5, van de Wet en de totstandkomingsgeschiedenis ervan is met de verleggingsregeling met name beoogd om voor de inning van omzetbelasting meer waarborgen te scheppen wanneer in bepaalde sectoren van het bedrijfsleven fraude, misbruik of oneigenlijk gebruik op het gebied van omzetbelasting wordt gesignaleerd. Die waarborgen kunnen met een verleggingsregeling alleen worden geboden als de Belastingdienst in staat is om vast te stellen wie de afnemer is naar wie de heffing van omzetbelasting wordt verlegd. Kennisneming van de identiteit van de afnemer is noodzakelijk voor de controle op de heffing en inning van omzetbelasting bij de afnemer ter zake van de aan hem verrichte leveringen van goederen en ter zake van door die afnemer op zijn beurt verrichte leveringen van die goederen. In de aard van de verleggingsregeling ligt dan ook als noodzakelijke voorwaarde besloten dat de identiteit van de (rechts)persoon aan wie de levering wordt verricht, door de Belastingdienst kan worden vastgesteld. Deze voorwaarde ligt begrepen in de bepaling van artikel 12, lid 5, van de Wet dat de omzetbelasting in deze gevallen wordt “geheven van degene aan wie de levering wordt verricht”.
3.2.3 Wanneer de leverancier de verleggingsregeling heeft toegepast en de inspecteur aannemelijk maakt dat de afnemer die de leverancier op de factuur heeft vermeld, in werkelijkheid niet de afnemer van de goederen kan zijn geweest, brengt hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen mee dat alleen kan worden aangenomen dat de leverancier de verleggingsregeling terecht heeft toegepast wanneer hij feiten stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, op grond waarvan kan worden vastgesteld wie in werkelijkheid de afnemer is.