This is an old revision of the document!
Table of Contents
Herziening
1. Aantekeningen
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
3.1 Skellefteå Industrihus AB
34. Bovendien definieert artikel 184 van de btw-richtlijn het ontstaan van de verplichting tot herziening zo ruim mogelijk, aangezien volgens dit artikel „[d]e oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt herzien indien deze hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen”. Deze formulering sluit a priori geen enkel denkbaar geval van ten onrechte toegepaste aftrek uit, aangezien de algemene draagwijdte van de herzieningsplicht steun vindt in het feit dat afwijkingen daarvan uitdrukkelijk worden opgesomd in artikel 185, lid 2, van deze richtlijn (zie in die zin arrest van 17 september 2020, Stichting Schoonzicht, C‑791/18, EU:C:2020:731, punten 30 en 31).
3.2 Herzien op afzonderlijke investeringsgoederen bij verbouwing
- VOF x, C-334/10
- Hof Den Haag, 28 oktober 2021, nr. BK-21-00144 - 21/00148, ECLI:NL:GHDHA:2021:2160
3.3 Doel herziening investeringsgoederen
- Centralan HvJ 15 december 2005, zaak C-63/04, Centralan Property Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise, ECLI:EU:C:2005:773, V-N 2005/61.19
55 Wat investeringsgoederen betreft, voorziet artikel 20 van de Zesde richtlijn in een bijzondere herzieningsregeling. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het Hof in het kader van de Tweede richtlijn (67/228/EEG) van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 1967, 71, blz. 1303), heeft geoordeeld dat de bijzondere regeling die in deze richtlijn alleen voor investeringsgoederen is getroffen, haar verklaring en rechtvaardiging vindt in het duurzame gebruik van deze goederen en de dienovereenkomstige afschrijving van de aanschaffingskosten (zie in die zin arrest van 1 februari 1977, Verbond van Nederlandse Ondernemingen, 51/76, Jurispr. blz. 113, punten 12 en 13). Deze beschouwingen zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 20 van de Zesde richtlijn neergelegde bijzondere regeling voor de herziening van de aftrek voor investeringsgoederen.
56 Artikel 20, lid 3, van de Zesde richtlijn regelt het bijzondere geval waarin een investeringsgoed vóór het einde van de herzieningsperiode wordt geleverd. In dit geval wordt de jaarlijkse herziening vervangen door één herziening, op basis van het veronderstelde gebruik van het betrokken investeringsgoed voor de nog resterende periode. Volgens deze bepaling hangt de aftrekbaarheid van de voorbelasting af van de vraag of de verrichte levering al dan niet is onderworpen aan de BTW.
57 Hieruit volgt dat de in de Zesde richtlijn neergelegde herzieningsregels tot doel hebben, de precisie van de aftrek te vergroten om de BTW-neutraliteit te waarborgen, zodat de in het vorige stadium verrichte handelingen slechts recht blijven geven op aftrek voorzover zij worden gebruikt voor verrichtingen die zijn onderworpen aan BTW. Met genoemde regels beoogt deze richtlijn dus een nauw en rechtstreeks verband te vestigen tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de betrokken goederen en diensten voor belaste handelingen.
3.4 Herziening doet geen aftrek ontstaan
X, C‑194/21
45. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat de herzieningsregeling alleen van toepassing is wanneer er sprake is van een recht op aftrek (zie in die zin arrest van 30 maart 2006, Uudenkaupungin kaupunki, C‑184/04, EU:C:2006:214, punt 37). De artikelen 184 en 185 van de btw-richtlijn kunnen geen recht op aftrek doen ontstaan (zie naar analogie arresten van 11 juli 1991, Lennartz, C‑97/90, EU:C:1991:315, punten 11 en 12, en 2 juni 2005, Waterschap Zeeuws Vlaanderen, C‑378/02, EU:C:2005:335, punt 38)
3.5 Afdanking leidt niet tot herziening
- Balgarska telekomunikatsionna, C-127/22
32. In dit verband is het irrelevant dat de verkoop van afval niet behoort tot de gebruikelijke economische activiteiten van de belastingplichtige die een dergelijke verkoop verricht, of dat de verkoopwaarde van de betrokken goederen lager is dan de oorspronkelijke waarde ervan, omdat zij als afval zijn verkocht, of dat de oorspronkelijke aard ervan om dezelfde reden is gewijzigd.
35. Uit al deze overwegingen volgt dat artikel 185, lid 1, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de afdanking van een goed dat volgens de belastingplichtige niet langer kon worden gebruikt in het kader van zijn gebruikelijke economische activiteiten en dat vervolgens als afval is verkocht, waarbij btw in rekening is gebracht, niet gelijkstaat met een „[wijziging] in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen” in de zin van deze bepaling.
