This is an old revision of the document!
Table of Contents
Gelijkheidsbeginsel
1. Aantekeningen
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
3.1 (On)gelijkheid belastingplichtigen - niet-belastingplichtigen
- Sandra Puffer
56 Het eventuele verschil in behandeling tussen belastingplichtigen en niet-belastingplichtigen vloeit dus voort uit de toepassing van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat in de eerste plaats de gelijkheid van behandeling van belastingplichtigen verzekert. Dit mogelijke verschil ontstaat bovendien uit het feit dat deze belastingplichtigen hun economische activiteiten zoals omschreven in artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn verrichten. Ten slotte houdt dit verschil verband met het in de Zesde richtlijn geregelde specifieke statuut van de belastingplichtigen, dat met name inhoudt dat zij overeenkomstig artikel 21 van deze richtlijn de btw verschuldigd zijn en moeten innen. 57 Aangezien de situatie van belastingplichtigen door deze kenmerken verschilt van die van niet-belastingplichtigen die geen dergelijke economische activiteiten verrichten, is een eventueel verschil in behandeling het gevolg van de toepassing van verschillende regels op verschillende situaties, zodat het gelijkheidsbeginsel geenszins wordt geschonden.
<wrap em>Zie echter Związek Gmin Zagłębia Miedziowego w Polkowicach - C-566/17</wrap>
- Phantasialand
39. Met andere woorden, onderzocht moet worden of de betrokken goederen of diensten zich uit het oogpunt van de gemiddelde consument in een substitutierelatie bevinden. In dat geval kan de toepassing van verschillende btw-tarieven immers van invloed zijn op de keuze van de consument, hetgeen bijgevolg een schending van het beginsel van fiscale neutraliteit zou opleveren (zie in die zin arrest van 9 november 2017, AZ, C‑499/16, EU:C:2017:846, punten 33 en 34)
3.2 Modale consument
Caixabank, C-224/19
68. Of het beding in het hoofdgeding duidelijk en begrijpelijk is, moet door de verwijzende rechter worden onderzocht op basis van alle relevante feitelijke gegevens, waaronder de reclame en de informatie die door de kredietgever in het kader van de onderhandeling van een leningsovereenkomst worden verstrekt, en rekening houdend met het aandachtsniveau dat mag worden verwacht van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument (zie in die zin arresten van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 74; 26 februari 2015, Matei, C‑143/13, EU:C:2015:127, punt 75; 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punten 46 en 47, en 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 46)
Phantasialand
45. Hoewel de verwijzende rechter opmerkt dat in Duitsland de context van de diensten die worden verricht in het kader van, enerzijds, een attractiepark en, anderzijds, een kermis niet wordt gekenmerkt door afzonderlijke rechtskaders, blijkt bovendien uit de schriftelijke opmerkingen van de Duitse regering dat de ambulante attractie-exploitanten en de exploitanten van permanent op dezelfde plaats gevestigde attracties niet onderworpen zijn aan hetzelfde nationale rechtskader, aangezien de vergunning om een kermis te organiseren diverse „marktprivileges” met zich meebrengt die, voor de vastgestelde termijn, leiden tot een vrijstelling van bepaalde wettelijke voorschriften die normaal toepasselijk zijn, zoals met name de voorschriften inzake de openingstijden. Ook in dit verband staat het aan de verwijzende rechter om vast te stellen of dergelijke verschillen, voor zover daarvan sprake is, van invloed zijn op de keuze van de gemiddelde consument.
46. Wat overigens de vraag betreft of de nationale rechter in deze context het recht heeft om gebruik te maken van een empirisch deskundigenonderzoek inzake het oogpunt van de gemiddelde consument, dan wel of dit oogpunt slechts een „theoretisch perspectief” betreft waartoe niet kan worden gekomen door bewijsverkrijging, moet worden opgemerkt dat de rechter in het algemeen in staat is om op basis van zijn eigen kennis het standpunt van de gemiddelde consument te beoordelen (zie in die zin arresten van 16 juli 1998, Gut Springenheide en Tusky, C‑210/96, EU:C:1998:369, punten 31 en 32, en 28 januari 1999, Sektkellerei Kessler, C‑303/97, EU:C:1999:35, punt 36).
47. Het Unierecht verzet zich er evenwel niet tegen dat een nationale rechter die bij die beoordeling bijzondere moeilijkheden ondervindt, onder de naar nationaal recht geldende voorwaarden, een deskundigenonderzoek gelast ten behoeve van zijn oordeelsvorming (zie in die zin arresten van 16 juli 1998, Gut Springenheide en Tusky, C‑210/96, EU:C:1998:369, punten 35 en 36, alsook van 28 januari 1999, Sektkellerei Kessler, C‑303/97, EU:C:1999:35, punt 37)
3.3 Soortgelijkheid
- Of goederen soortgelijk zijn moet worden beoordeeld aan de hand van:
- Overeenkomstige eigenschappen zelfde behoeften, waarbij vergelijkbare gebruik de maatstaf is. Het gaat erom of er sprake is van een substitutiereactie; of de goederen uitwisselbaar zijn. Dat is het geval als de verschillen die ze vertonen de aanschaf beslissing niet aanmerkelijk beïnvloeden. Daarbij mag rekening worden gehouden met verschillen in de juridische en overige context, zoals het toepasselijke rechtskader en het rechtsregime.
Zie HR 8 september 2023 (Gladskin)
