This is an old revision of the document!
Table of Contents
Beschikking
1. Aantekeningen
- Facilitesse
HR 18 februari 2022, nr. 19/03185, ECLI:NL:HR:2022:269
- Case C-868/19,M-GmbH tegen Finanzamt für Körperschaften Berlin, Personenvennootschappen fiscale eenheid
64 Bovendien zij erop gewezen dat de verwijzende rechter zelf maatregelen heeft vastgesteld die minder beperkend zijn dan een dergelijke systematische uitsluiting, zoals het vereiste van een schriftelijk bewijs dat uitsluitend beperkt is tot de voorwaarden voor integratie, of het feit dat het voordeel van de btw-groep afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande goedkeuring van de belastingdienst. <wrap em>Wat dit laatste betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het evenredigheidsbeginsel zich er niet tegen verzet dat een lidstaat die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn belastingplichtigen het recht te verlenen voor een bepaald belastingstelsel te kiezen, een wettelijke regeling vaststelt die de toepassing van dit stelsel afhankelijk stelt van de voorafgaande toestemming van de belastingdienst</wrap> (zie in die zin arrest van het Hof van Justitie van 21 maart 2020, C-661/18, CTT - Correios de Portugal, Jurispr. blz. Een dergelijke goedkeuring en een schriftelijk bewijs van de integratievoorwaarden zouden in een eerder stadium rechtsonzekerheid voorkomen en tegelijkertijd een doeltreffende bescherming tegen misbruik garanderen.
- HvJ 16 februari 2023, Zaak C-519/21, ASA
86. Aldus staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of het vereiste dat de leden van de btwgroep voorafgaandelijk een verzoek tot registratie indienen bij de bevoegde belastingautoriteit, waarin punt 4, lid 5, van regeringsbesluit nr. 44/2004 voorziet, noodzakelijk en geschikt is om die doelstellingen, namelijk misbruik voorkomen en belastingfraude of -ontwijking bestrijden, te verwezenlijken (zie naar analogie arrest van 15 april 2021, Finanzamt für Körperschaften Berlin, C-868/19, niet gepubliceerd, EU:C:2021:285, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat de lidstaten in het kader van hun beoordelingsmarge bepaalde beperkingen aan de toepassing van de regeling van artikel 11 van de btw-richtlijn mogen stellen, mits die stroken met de doelstellingen van deze richtlijn die erin bestaan misbruik te voorkomen en belastingfraude of -ontwijking te bestrijden, en mits het Unierecht en de algemene beginselen ervan, met name het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van fiscale neutraliteit, worden geëerbiedigd (arrest van 15 april 2021, Finanzamt für Körperschaften Berlin, C‑868/19, niet gepubliceerd, EU:C:2021:285, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86. Aldus staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of het vereiste dat de leden van de btw-groep voorafgaandelijk een verzoek tot registratie indienen bij de bevoegde belastingautoriteit, waarin punt 4, lid 5, van regeringsbesluit nr. 44/2004 voorziet, noodzakelijk en geschikt is om die doelstellingen, namelijk misbruik voorkomen en belastingfraude of ‑ontwijking bestrijden, te verwezenlijken (zie naar analogie arrest van 15 april 2021, Finanzamt für Körperschaften Berlin, C‑868/19, niet gepubliceerd, EU:C:2021:285, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87. Wat het evenredigheidsbeginsel betreft, moet worden vastgesteld dat nationale regelgeving die vereist dat de leden van de btw-groep bij de bevoegde belastingautoriteit worden geregistreerd voordat de belastbare handelingen worden verricht, niet verder lijkt te gaan dan noodzakelijk is om de doelstelling van artikel 11 van de btw-richtlijn, namelijk misbruik voorkomen en belastingfraude of ‑ontwijking bestrijden, te verwezenlijken. Ze biedt de belastingdienst immers de mogelijkheid om de belastingplichtige te identificeren voordat die handelingen worden verricht, wat de belastingcontrole vergemakkelijkt.
88. Wat het beginsel van fiscale neutraliteit betreft, dit beginsel – waarmee de Uniewetgever ter zake van de btw uitdrukking heeft gegeven aan het algemene beginsel van gelijke behandeling – verzet zich er onder meer tegen dat marktdeelnemers die dezelfde handelingen verrichten voor de heffing van de btw verschillend worden behandeld (zie in die zin arresten van 17 december 2020, WEG Tevesstraße, C‑449/19, EU:C:2020:1038, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 april 2021, Finanzamt für Körperschaften Berlin, C‑868/19, niet gepubliceerd, EU:C:2021:285, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89. In casu beoogt het voorafgaande verzoek tot registratie van de betrokken btw-groep bij de bevoegde belastingautoriteit, dat krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regelgeving verplicht is, die autoriteit blijkbaar in staat te stellen een register bij te houden van de personen die inkomsten- of vennootschapsbelasting moeten betalen. Derhalve kan dit vereiste niet worden geacht strijdig te zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit.
90. Hieruit volgt dat artikel 11 van de btw-richtlijn, ook al vormen de in punt 83 van het onderhavige arrest aangehaalde bepalingen van het nationale recht de omzetting van dat artikel en waren deze van toepassing op de partijen bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde samenwerkingsovereenkomst, zich er niet tegen verzet dat een dergelijk samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid dat niet bij de belastingautoriteit is geregistreerd voordat de betrokken handelingen werden verricht, niet het voordeel van die bepalingen kan genieten.
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
- HR 22 april 2005, nr. 38 659, ECLI:NL:HR:2005:AT4477, BNB 2005/230
Beschikking fiscale eenheid geen constitutief vereiste - HR 9 juni 2006, nr. 42 426, ECLI:NL:HR:2006:AX7369, BNB 2006/313
In geval van naheffingsaanslag kunnen belastingplichtigen zich beroepen op het zijn van een fiscale eenheid, ook indien eerder een verzoek daartoe is afgewezen en deze afwijzing onherroepelijk vaststaat.
