Site Tools


belastingplichtige:fiscale_eenheid

This is an old revision of the document!


Fiscale Eenheid

1. Aantekeningen

1.1 Invulling verwevenheidseisen

1.1.1 Commissie / Finland
  • HvJ 25 april 2013, Commissie v Finland, C-74/11, EU:C:2013:266
    62 Il importe spécialement, pour une application uniforme de la directive TVA, que la notion d’«assujetti» définie sous le titre III de celle-ci reçoive une interprétation autonome et uniforme. Dans ce cadre, une telle interprétation s’impose pour l’article 11 de la directive TVA, malgré le caractère facultatif, pour les États membres, du régime qu’il prévoit, afin d’éviter, lorsqu’il est mis en œuvre, des divergences dans l’application de ce régime d’un État membre à l’autre.

Voor een uniforme toepassing van de BTW-richtlijn is het van bijzonder belang dat aan het in titel III gedefinieerde begrip “belastingplichtige” een autonome en uniforme uitlegging wordt gegeven. In dit verband is een dergelijke uitlegging noodzakelijk voor artikel 11 van de btw-richtlijn, ondanks het facultatieve karakter voor de lidstaten van de regeling waarin het voorziet, teneinde bij de toepassing ervan verschillen in de toepassing van deze regeling tussen de lidstaten te voorkomen.

1.1.2 Commissie / Zweden
  • Commissie / Zweden
    HvJ 25 april 2013, nr. C‑480/10, Europese Commissie tegen Koninkrijk Zweden, ECLI:EU:C:2013:263, V-N 2013/24.15

34 Met het oog op een uniforme toepassing van de btw-richtlijn is het van bijzonder belang dat het begrip „belastingplichtige”, zoals omschreven in titel III ervan, autonoom en eenvormig wordt uitgelegd. In deze context dient ook artikel 11 van de btw-richtlijn autonoom en eenvormig te worden uitgelegd, ook al is de daarin voorziene regeling facultatief voor de lidstaten, teneinde te voorkomen dat bij de toepassing ervan verschillen tussen de lidstaten ontstaan.

1.1.3 Larentia + Minerva

50 Zoals de advocaat-generaal in punt 112 van zijn conclusie heeft aangegeven, dient de in artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn neergelegde voorwaarde voor de vorming van een btw-groep, namelijk dat er nauwe financiële, economische en organisatorische banden tussen de betrokkenen bestaan, te worden gepreciseerd op nationaal niveau. Dit artikel is dus voorwaardelijk, aangezien het verlangt dat nationale bepalingen worden vastgesteld die concretiseren om welk soort banden het gaat.


1.1.4 Overzicht implementatie Art. 11 Btw-RL
  • EU Member States which implemented VAT Grouping
  1. Austria
  2. Belgium
  3. Cyprus
  4. Czech Republic
  5. Denmark
  6. Estonia
  7. Finland
  8. Germany
  9. Hungary
  10. Ireland
  11. Italy
  12. Latvia
  13. Luxembourg
  14. Malta
  15. Netherlands
  16. Romania
  17. Slovakia
  18. Spain
  19. Sweden
  • EU Member States which are planning introducing VAT Grouping as of Jan 1, 2023
  1. France
  2. Poland
  • EU Member States which do not allow VAT Grouping
  1. Bulgaria
  2. Croatia
  3. Greece
  4. Lithuania
  5. Portugal
  6. Slovenia

1.2 Boete fiscale eenheid


1.3 Niet-ondernemersdeel fiscale eenheid

1.4 Fiscale eenheid structuur

  • Thijs Bijlard, Zaak-TP: Europese reddingsboei of strohalm voor BTW-vrij samenwerken?, TaxLive 8 november 2023

Het komt geregeld voor dat twee of meer tandartsen of andere ‘BTW-vrijgestelde’ ondernemers hun gezamenlijke onderneming uitoefenen in een bv of nv, bijvoorbeeld vanwege de aansprakelijkheid of omdat dat commercieel beter lijkt dan een vof of maatschap.

Als zij dan ieder een eigen salarispolitiek willen voeren, is het handig als zij ieder een eigen holding-bv oprichten en bij hun eigen holding op de loonlijst komen te staan in plaats van bij de gezamenlijke werkmaatschappij.

Maar daarmee ontstaat ook gelijk een BTW-vraagstuk/-uitdaging. Want als de werkmaatschappij BTW moet betalen over de maandelijkse fee die zij aan de holdings moet betalen, werkt dat natuurlijk kostprijsverhogend. De werkmaatschappij kan die BTW namelijk in beginsel niet in aftrek brengen. Om deze BTW-inefficiency van de structuur het hoofd te bieden, kan worden overwogen om een management-maatschap op te richten tussen de holdings. De management-maatschap verricht managementdiensten aan de werkmaatschappij en houdt het economisch belang in alle aandelen in de werkmaatschappij. Als de management-maatschap en de werkmaatschappij een fiscale eenheid-BTW kunnen vormen, wordt de management fee niet belast met BTW. De management-maatschap kan haar resultaat als winstverdeling verdelen over de maten (de holdings). En daarover is ook geen BTW verschuldigd. Opgelost!? Nee, helaas. Deze sympathieke structuren bestrijdt de Belastingdienst sinds enkele jaren namelijk met het argument dat er geen financiële verwevenheid kan bestaan tussen de management-maatschap en de werkmaatschappij en zij daarom geen fiscale eenheid-BTW kunnen vormen; zie onder meer V-N 2023/2.17, V-N 2023/13.13 en V-N 2023/16.2.5. De rechter mag dus duidelijkheid geven.

Zijn er nog andere manieren om deze BTW-inefficiency te vermijden? Wellicht biedt de lopende EU-zaak C-288/22 (TP) uitkomst. A-G HvJ EU Kokott concludeert in die zaak dat een advocaat die lid is van de raad van bestuur van diverse vennootschappen, geen BTW is verschuldigd voor de vergoeding die hij van die vennootschappen ontvangt. Hierbij neemt de A-G in aanmerking dat de advocaat lid is van de raad van bestuur en daarom niet aansprakelijk is voor de door hem verrichte diensten. Die aansprakelijkheid ligt immers bij de raad – vgl. ook het arrest-IO (HvJ EU 13 juni 2019, C-420/18, V-N 2019/32.16) – en de vergoeding wordt eenzijdig vastgesteld door de algemene vergadering van de vennootschappen. Verder bepleit de A-G dat de activiteiten van de verplichte organen van een vennootschap buiten de BTW-heffing moeten blijven. De rechtsvormneutraliteit van de BTW brengt immers met zich mee dat een onderneming met onvolledig recht op BTW-aftrek die in een vennootschap wordt uitgeoefend, niet zwaarder mag worden belast dan een vergelijkbare onderneming in een eenmanszaak. De vergoeding wordt niet belast, omdat de advocaat deze activiteit niet zelfstandig uitoefent.

Het is natuurlijk afwachten hoe het Hof van Justitie EU in deze lopende procedure oordeelt. Maar ik kan me goed voorstellen dat er omstandigheden denkbaar zijn, waarbij de holdings geen zelfstandige activiteit uitoefenen en dus geen BTW zijn verschuldigd over de ontvangen vergoedingen.


1.5 Niet restrictieve uitlegging verwevenheidseisen

  • Conclusie van advocaat-generaal A. Rantos van 16 mei 2024, C-184/23, Finanzamt T-II, ECLI:EU:C:2024:416
    54. Uit de rechtspraak van het Hof volgt voorts dat, wat betreft de context van artikel 4, lid 4, tweede alinea, van de Zesde richtlijn, noch uit deze bepaling noch uit het stelsel dat door deze richtlijn is ingevoerd volgt dat deze bepaling een afwijkende of een bijzondere bepaling is die restrictief moet worden uitgelegd. De voorwaarde van het bestaan van de nauwe financiële banden mag dus niet restrictief worden uitgelegd.(29)

2. Regelgeving

  • Communication from the Commission to the Council and the European Parliament on the VAT group option provided for in Article 11 of Council Directive 2006/112/EC on the common system of value added tax, COM(2009) 325 final, available online at: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2009:0325:FIN:EN:PDF
  • 25 October 2021, Working Paper 1027, Interaction between the VAT Group, the new provisions on e-commerce and the OSS schemes, taxud.c.1(2021)7400501 – EN

3. Jurisprudentie

3.1 HvJ

3.2 HR

  • HR 22 februari 1989, nr. 25 068, BNB 1989/112 (invulling verwevenheidseisen)
  • HH in Fiscale eenheid
    HR 14 juni 2002, nr. 35976, BNB 2002/287

3.3 Buitenlandse jurisprudentie

3.4 Ingangsdatum fiscale eenheid

  • 2021 10 28 - Hof DH - 21-00144-48 - Ingangsdatum FE - Verbouwing investeringsgoed - ECLI_NL_GHDHA_2021_2160

3.5 Fiscale eenheid als belastingplichtige/ status onderdelen

Kaplan

45. In verband daarmee zij eraan herinnerd dat de toepassing van de regeling van artikel 11 van richtlijn 2006/112 impliceert dat de op grond van deze bepaling vastgestelde nationale regeling personen, met name vennootschappen die financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, het recht verleent om voor de btw niet langer als afzonderlijke belastingplichtigen, maar als één enkele belastingplichtige te worden aangemerkt. Wanneer een lidstaat deze bepaling toepast, <wrap em>kan (kunnen) de afhankelijke persoon (personen) in de zin van deze bepaling dus niet als een belastingplichtige (belastingplichtigen) in de zin van artikel 9, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2006/112 worden aangemerkt</wrap> (zie in die zin arrest van 22 mei 2008, Ampliscientifica en Amplifin, C‑162/07, EU:C:2008:301, punt 19)

46. Hieruit volgt dat de gelijkstelling met een enkele belastingplichtige <wrap em>uitsluit dat de leden van de btw-groep verder afzonderlijke btw-aangiften indienen en verder binnen en buiten hun groep als belastingplichtigen worden geïdentificeerd</wrap>, aangezien alleen de enkele belastingplichtige die aangiften kan indienen. Daaruit volgt dat diensten die een derde voor een lid van een btw-groep verricht, in een dergelijke situatie voor de toepassing van de btw niet moeten worden beschouwd als verricht voor het betreffende lid maar als verricht voor de btw-groep waartoe dat lid behoort (arrest van 17 september 2014, Skandia America (USA), filial Sverige, C‑7/13, EU:C:2014:2225, punt 29

Skandia America Corp.
CJEU 17 September 2014, Case C‑7/13, Skandia America Corp. (USA), filial Sverige v Skatteverket, ECLI:EU:C:2014:2225

25. Wat betreft de gevolgen die verbonden zijn aan het behoren tot een op de grondslag van artikel 11 van de btw-richtlijn gevormde btw-groep, heeft het Hof geoordeeld dat een btw-groep één belastingplichtige vormt. De gelijkstelling met één enkele belastingplichtige staat eraan in de weg dat de leden van de btw-groep afzonderlijke btw-aangiften blijven indienen en zowel binnen als buiten hun groep nog steeds als belastingplichtigen worden geïdentificeerd, aangezien alleen de enkele belastingplichtige die aangiften mag indienen [arrest van 17 september 2014, Skandia America (USA),filial Sverige, C‑7/13, EU:C:2014:2225, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

4. Literatuur

  • M.J. van Luijt en M. Morawski, Het einde van extraterritoriale fiscale eenheid btw?, WFR 2023/317

belastingplichtige/fiscale_eenheid.1716199152.txt.gz · Last modified: by avdoesum