formeel:bewijslast
Table of Contents
Bewijslast
1. Aantekeningen
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
3.1 Aannemelijk maken vs. genoegzaam aantonen vs. doen blijken
- HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
3.2 (…) de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. - HR 6 september 2024, nr. 22/04034, ecli:NL:HR:2024:1135
4.2.1 Middel 2 betoogt onder meer dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat voor weigering van het nultarief voldoende is dat de Inspecteur aannemelijk maakt dat de belanghebbende wist of had moeten weten dat de facturen niet de juiste afnemers vermeldden. Het middel leidt uit de arresten van het Hof van Justitie van 11 november 2021, Ferimet SL, C-281/20, ECLI:EU:C:2021:910, en van 1 december 2022, Aquila Part Prod Com SA, C512/21, ECLI:EU:C:2022:950, af dat hiervoor de bewijsmaatstaf “genoegzaam aantonen“ geldt. Genoegzaam aantonen is een zwaardere vorm van bewijslevering dan aannemelijk maken, aldus het middel.
4.2.2 In de gevallen waarin aan alle materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief is voldaan, wordt de belastingplichtige het nultarief alleen ontzegd wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat hij btw-fraude heeft gepleegd, dan wel wist of had moeten weten dat hij door de levering van goederen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude in een keten van leveringen.6 Omdat BTW-richtlijn 2006 niet voorziet in regels voor de bewijsvoering met betrekking tot deze objectieve gegevens, moeten die gegevens gelet op het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten door de belastingautoriteiten worden vastgesteld overeenkomstig de nationaalrechtelijke bewijsregels.7 Daarbij geldt dat deze regels moeten voldoen aan de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid.
4.2.3 In het Nederlandse belastingrecht is de normale maatstaf voor bewijslevering dat feiten aannemelijk moeten worden gemaakt. Een zwaardere maatstaf kan alleen dan worden aangenomen indien duidelijk is dat de wetgever dat uitdrukkelijk heeft gewild. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de AWR moet worden afgeleid dat dit het geval is indien in een belastingwet de formulering “doen blijken” wordt gebruikt, hetgeen meebrengt dat in dat geval relevante feiten overtuigend moeten worden aangetoond.8 In de hier toepasselijke wettelijke voorschriften zijn geen regels opgenomen waaruit volgt dat op de inspecteur een zwaardere maatstaf van bewijslevering rust in de gevallen waarin hij zich op het standpunt stelt dat de ondernemer, gelet op de hiervoor in 4.2.2 bedoelde objectieve gegevens, het nultarief moet worden ontzegd. Het is buiten redelijke twijfel dat deze bewijsmaatstaf niet in strijd is met de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Anders dan middel 2 betoogt, rust op de Inspecteur dus voor de heffing van omzetbelasting niet een zwaardere bewijslast dan dat hij met betrekking tot het weigeren van de toepassing van het nultarief de daartoe benodigde feiten aannemelijk moet maken. Middel 2 faalt in zoverre.
(…)
4.6.2 Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs is geleverd met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dit geval de grove schuld van de belastingplichtige en de omstandigheid dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald, een en ander als omschreven in artikel 67f, lid 1, AWR, moeten de waarborgen in acht worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.11
3.2 Brancheonderzoeken - negatieve feiten bewijzen
- Fortunata Silvia Fontana
HvJ 21 november 2018, Fortunata Silvia Fontana, C-648/16, ECLI:EU:C:2018:932
44. De belastingplichtige moet dus ten eerste de mogelijkheid hebben om de juistheid van het betrokken brancheonderzoek en/of de relevantie ervan voor zijn specifieke situatie te betwisten. Ten tweede moet de belastingplichtige in de gelegenheid worden gesteld om de omstandigheden uiteen te zetten waarom de aangegeven omzet, hoewel lager dan de omzet die door middel van inductie is bepaald, een adequate afspiegeling is van zijn activiteiten in de loop van de betrokken periode. Voor zover de toepassing van een brancheonderzoek meebrengt dat deze belastingplichtige eventueel negatieve feiten moet bewijzen, vergt het evenredigheidsbeginsel dat het vereiste bewijsniveau niet buitensporig hoog is.
4. Literatuur
formeel/bewijslast.txt · Last modified: by avdoesum
