Site Tools


formeel:gelijkheidsbeginsel

Algemeen gelijkheidsbeginsel

1. Aantekeningen

  • Gelijkheidsbeginsel aantonen via verklaring bij notaris: ecli:NL:RBZWB:2023:380

  • Gemeenschappelijke bijlage bij conclusies van 13 december 2024 inzake gescheiden afvalinzameling
    Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van advocaat-generaal Ettema van 13 december 2024 inzake nrs. 23/01441, 23/01443, 23/01474, 23/01475, 23/01477, 23/01478, 23/01479, 23/01481, 23/01482, 23/01485 en 23/01533, ECLI:NL:PHR:2024:1417, NLF 2025/0137
    9.5 In zijn arrest van 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5110108, oordeelt de Hoge Raad dat voor toepassing van de meerderheidsregel slechts in de vergelijking worden betrokken de gevallen die aan het betrokken bestuursorgaan uit hoofde van zijn bevoegdheid bekend zijn. Na de reorganisatie van de Belastingdienst per 1 januari 2003 fungeren de voorzitters van de managementteams van een aantal regiogebonden organisatieonderdelen van de Belastingdienst als Inspecteur. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor toepassing van de meerderheidsregel slechts rekening wordt gehouden met de vergelijkbare gevallen waarvan de behandeling plaatsvindt door of namens dezelfde voorzitter van het managementteam:

    “3.4.1. Voor de toepassing van de meerderheidsregel kunnen slechts in de vergelijking worden betrokken de met het geval van de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen die aan het betrokken bestuursorgaan uit hoofde van zijn bevoegdheid bekend zijn. Slechts ten aanzien van die belastingplichtigen kan dat bestuursorgaan fouten maken, waarop de meerderheidsregel naar haar strekking ziet (vgl. HR 5 oktober 1994, nr. 29839, BNB 1995/7, onderdeel 4.4).
    3.4.2. Wat betreft de heffing van rijksbelastingen bracht dit vóór 1 januari 2003 mee dat als vergelijkbare gevallen slechts in aanmerking konden worden genomen gevallen die ressorteerden onder de inspecteur (destijds het hoofd van de betrokken eenheid van de Belastingdienst) die ingevolge de toenmalige Uitvoeringsregeling Belastingdienst bevoegd was (vgl. HR 16 december 1998, nr. 33327, BNB 1999/165). Ingevolge die uitvoeringsregeling was vóór 2003 de bevoegdheid van de inspecteur goeddeels geografisch bepaald. De territoriale grenzen van zijn bevoegdheid vielen samen met die van zijn ambtsgebied.
    3.4.3. Na de reorganisatie van de Belastingdienst per 1 januari 2003 fungeren ingevolge artikel 5, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (hierna: de UrBd 2003) de voorzitters van de managementteams van een aantal regiogebonden organisatieonderdelen van de Belastingdienst als inspecteur. Weliswaar is – om tegemoet te komen aan de wens tot een verdergaande flexibilisering van de werkzaamheden van de Belastingdienst – aan deze functionarissen landelijke bevoegdheid gegeven (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 608, nr. 3, blz. 20), maar krachtens de in de UrBd 2003 opgenomen zogenoemde ressorteerbepalingen geldt als hoofdregel dat, evenals voorheen, het woon- of vestigingsplaatsbeginsel bepalend is voor de vraag onder welke inspecteur een natuurlijk persoon, een lichaam of een entiteit ressorteert. Het grootste deel van de belastingplichtigen zal ten opzichte van de situatie vóór 2003 geen wijzigingen ervaren, aldus de toelichting op de UrBd 2003.
    3.4.4. Het onder 3.4.1 omschreven uitgangspunt brengt derhalve mee dat vanaf 2003 in de vergelijking doorgaans slechts kunnen worden betrokken de met het geval van de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen van belastingplichtigen waarin de fiscale behandeling plaatsvindt door of namens dezelfde voorzitter van een managementteam als onder 3.4.3 bedoeld. Middel 5, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve.”


    (…)

    9.8 Ik meen op grond van het voorgaande dat het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad niet meer onverkort kan worden toegepast op gevallen die zich hebben voorgedaan na de reorganisatie van 1 januari 2013. Anders dan voorheen ressorteren gemeenten in beginsel onder dezelfde landelijke directeur. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende ressorteert onder de voorzitter van een managementteam van een andere regio, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel wordt in zoverre terecht voorgesteld.

1.1 Tweetrapsberoep op gelijkheidsbeginsel

  • Conlusie AG Ettema van 25 juli 2025, ecli:NL:PHR:2025:822 (Parkeerterrein)
    5.15 Mede daarin bevindt zich mijn terughoudendheid om in dit geval een beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren. Betoogd kan worden dat niet aan belanghebbende kan worden tegengeworpen dat de besluitgever enigszins slordig is geweest in het weergeven van de wetsgeschiedenis, en dat het niet op haar pad ligt om de tekst van het Vastgoedbesluit 2013 te vergelijken met de tekst van de wetsgeschiedenis. Echter, in het Vastgoedbesluit 2013 staat niet dat een parkeerterrein (bestaande uit klinkerbestrating) een gebouw is. Belanghebbende haalt zelf de wetsgeschiedenis aan om een vergelijkbaarheid in twee trappen te bepleiten: enerzijds tussen atletiekbanen of kunstgrasvelden en pleinen en anderzijds tussen pleinen en de onderhavige bestrating. Het gaat dus om een beroep op het vertrouwensbeginsel over de band van een tweetrapsberoep op het gelijkheidsbeginsel. Voor dat beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt de wetsgeschiedenis aangehaald die ook in het Vastgoedbesluit 2013 wordt aangehaald, en uit die wetsgeschiedenis is kenbaar dat dat de wijze waarop die wetsgeschiedenis in het Vastgoedbesluit 2013 wordt aangehaald onjuist is.

2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

  • Escape Center, C-330/21
    13. De verwijzende rechter merkt op dat de Belgische belastingadministratie met betrekking tot het btw-tarief dat moet worden toegepast op de activiteit van exploitanten van fitnesscentra, niet op uniforme wijze te werk zou gaan. Bepaalde controleurs zouden namelijk stellen dat het normale tarief van 21 % moet worden toegepast op het geheel van die activiteiten, terwijl andere controleurs de toepassing van het verlaagde tarief van 6 % of van een gemiddeld btw-tarief – op basis van een uitsplitsing waarbij de verschillende activiteiten respectievelijk aan deze twee tarieven worden onderworpen – zouden aanvaarden.
  • Schmelz
    HvJ 26 oktober 2010, Zaak C-97/09, Ingrid Schmelz tegen Finanzamt Waldviertel, ECLI:EU:C:2010:632, V-N 2010/58.20
    44. Wat ten slotte de toepasselijkheid op de omstandigheden van het hoofdgeding betreft van artikel 12 EG, waarin het algemeen verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is neergelegd, zij erop gewezen dat deze bepaling slechts autonoom toepassing kan vinden in gevallen waarin het Unierecht wel geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in bijzondere discriminatieverboden voorziet (arrest van 21 januari 2010, SGI, C‑311/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

4. Literatuur


formeel/gelijkheidsbeginsel.txt · Last modified: by avdoesum · Currently locked by: 216.73.217.59,172.17.0.1