Site Tools


formeel:naheffing

Naheffing

1. Aantekeningen

1.1 Voorbelasting in mindering brengen

Ingeval de inspecteur over een bepaald tijdvak de ten onrechte niet voldane omzetbelasting naheft, dient hij op de verschuldigde belasting in mindering te brengen de voorbelasting, indien en voorzover ter zake wordt voldaan aan de wettelijke vereisten die aan de aftrek van voorbelasting zijn gesteld. Dit volgt uit de bewoordingen van art. 2 van de wet en wordt bevestigd door de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling. Hof 's-Hertogenbosch 20 oktober 1978, nr. 77/1977 OB, BNB 1979/244.


1.2 Tijdstip en tijdvakbelastingen

  • HR 17 juni 2016, nr. 15/04005, ecli:NL:HR:2016:1202, FED 2017/38, BNB 2016/225
    Noot Van Norden in FED 2017/38:
    5. In dit kader is het allereerst belangrijk om vast te stellen wanneer de verkrijging van de economische eigendom zou hebben plaatsgevonden. Zowel de inspecteur als de Staatssecretaris van Financiën zijn daarover weinig precies. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd over de periode 2008-2009. Het lijkt niet te passen bij een tijdstipbelasting als de overdrachtsbelasting om deze te benaderen als een tijdvakbelasting[4] en na te heffen over meerdere jaren ter zake van één (vermeend) belastbaar feit. Naheffing over een tijdvak is weliswaar toegestaan bij belastingen die niet per tijdvak betaald hoeven te worden,[5] maar van een inspecteur mag worden verwacht dat hij naheft ter zake van een concreet belastingtijdvak waarin het tijdstip van de (vermeende) verkrijging is gelegen.[6] In deze zaak komt dit vraagstuk niet aan de orde. Mogelijk vormt dit onderdeel van een toekomstige procedure.

1.3 Onjuiste tenaamstelling

Een onjuiste tenaamstelling van en aanslagbiljet kan in het algemeen niet leiden tot een belastingverplichting. HR 31 augustus 1998, nr 33569, BNB 1998/335.

Uitzonderingen:

  1. 1. indien de onvolkomenheid zo gering is dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan voor wie de belastingdienst het (naheffings)aanslagbiljet had bestemd (HR 31 augustus 1998, nr 33569, BNB 1998/335).
  2. 2. indien de inspecteur niet op de hoogte was en niet kon zijn van de wijziging van de belastingplichtige, zoals in het geval van een fiscale eenheid indien niet langer aan de materiele eisen is voldaan (HR 7 mei 1997, nr. 32094, BNB 1997/235). zie ook: HR 23 augustus 1996, nr. 31277, BNB 1996/390.

1.4 Moment ontstaan naheffingsbevoegdheid

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 november 2023, nr. BRE - 22 _ 3590, ecli:NL:RBZWB:2023:7638
    5 (…) Het bestaan van een naheffingsbevoegdheid moet worden beoordeeld op het moment dat de belastingschuld is geformaliseerd. Een belastingschuld is geformaliseerd op het moment van de vaststelling van de aanslag. De vaststelling van een belastingaanslag gebeurt door het opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als vaststellingsdatum van de aanslag. 1 Als de datum van bekendmaking van het aanslagbiljet na de dagtekening van het aanslagbiljet ligt, dan geldt de datum van bekendmaking als de vaststellingsdatum van de aanslag. 2 De bekendmaking van een aanslagbiljet gebeurt in de regel door toezending of uitreiking ervan aan de belastingschuldige. 3 Het moment van terpostbezorging van het aanslagbiljet geldt dan als datum van bekendmaking van het aanslagbiljet. 4

1 Artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2 Dit volgt onder meer uit Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930.
3 Artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4 Vgl. Hoge Raad 29 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1892.


1.5 2x naheffen zelfde tijdvak

5.7.5. De stelling van belanghebbende die erop neerkomt dat de Inspecteur niet tweemaal een naheffingsaanslag over dezelfde tijdvakken kan opleggen, faalt. Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Er is geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat over hetzelfde tijdvak in dezelfde belasting slechts één naheffingsaanslag mogelijk is (vgl. HR 27 augustus 1986, ECLI:NL:HR:1986:BH4864, BNB 1986/321). Een schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, wat dit anders kan maken, is niet gebleken.


1.6 Verzenden en ontvangen van naheffingsaanslag - bewijslastverdeling

  • HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59, rechtsoverweging 3.2
    In het geval dat de belanghebbende stelt dat hij een door verzending per post bekend gemaakte naheffingsaanslag pas na afloop van de bezwaartermijn heeft ontvangen en met het oog op het vaststellen van de aanvang van de bezwaartermijn (artikelen 6:8 en 6:9 Awb) betwist dat het aanslagbiljet voor of op de datum van dagtekening ervan ter post is bezorgd, rust op de inspecteur de last aannemelijk te maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden en wanneer.

2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

3.1 Btw eruit halen

3.2 Naheffingstermijn

3.2.1 Lidstaten mogen naheffingstermijn vaststellen

  • Napfény-Toll
    HvJ 13 juli 2023, Zaak C-615/21, Napfény-Toll, ECLI:EU:C:2023:573

    30 Vooraf moet worden opgemerkt dat het Unierecht bij de huidige stand ervan geen termijn vaststelt waarin het recht van de belastingdienst om de btw vast te stellen verjaart, en a fortiori niet specificeert in welke gevallen een dergelijke termijn moet worden geschorst.

    34 Bij gebreke van toepasselijke Unierechtelijke bepalingen staat het aan de lidstaten om, met betrekking tot het recht van de belastingdienst om de btw vast te stellen, verjaringsregels vast te stellen en toe te passen, met inbegrip van regels inzake de schorsing en/of stuiting van de verjaring (zie naar analogie arrest van 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C‑308/19, EU:C:2021:47, punt 45).

3.2.2 Naheffingstermijn van 5 jaar is toegestaan

* Napfény-Toll
HvJ 13 juli 2023, Zaak C-615/21, Napfény-Toll, ECLI:EU:C:2023:573

** 36** In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat een verjaringstermijn van vijf jaar die wordt toegepast op verzoeken om teruggaaf van te veel betaalde btw en die begint te lopen vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de betalingstermijn van de belasting is verstreken, in overeenstemming was met het Unierecht (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Caterpillar Financial Services, C‑500/16, EU:C:2017:996, punt 43).

37 Een verjaringstermijn voor het recht van de belastingdienst om de verschuldigde btw vast te stellen die loopt voor een periode van vijf jaar vanaf de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aangifte of kennisgeving betreffende die belasting had moeten worden ingediend of, bij gebreke van een dergelijke aangifte of kennisgeving, vanaf de laatste dag van het kalenderjaar waarin de belasting had moeten worden betaald – zoals in het hoofdgeding – moet, gelet op de hierboven uiteengezette rechtspraak, naar analogie worden geacht in overeenstemming te zijn met het Unierecht.

4. Literatuur


formeel/naheffing.txt · Last modified: by avdoesum · Currently locked by: 216.73.217.59,172.17.0.1