Site Tools


formeel:prejudiciele_procedure

Prejudiciële procedure

1. Aantekeningen

1.1 Niet-stellen prejudiciële vraag

1.2 Prejudiciele vragen van HR aan HvJ na prejudiciele vragen lagere rechter aan HR

  • https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2020:1674
    2.1 De Rechtbank heeft bij beslissingen van 1 augustus 20161, 8 mei 20172 en 26 februari 20193 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd. De Rechtbank acht een antwoord op deze vragen nodig om te kunnen beslissen op de bij haar aanhangige beroepen van belanghebbende tegen beschikkingen van de Inspecteur betreffende verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting.
    2.2 Beslissing Rechtbank van 1 augustus 2016
    2.2.1
    Voor een overzicht van het procesverloop tot aan het door de Hoge Raad naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank van 1 augustus 2016 gewezen arrest van 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:342, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen. Deze zaak is door het Hof van Justitie geregistreerd onder nummer C-156/17.
    2.2.2
    De Rechtbank heeft bij beslissing van 1 augustus 2016, nrs. BRE 15/6759 tot en met BRE 15/6762, ECLI:NL:RBZWB:2016:4828, eveneens prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd ter zake van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting door een Brits fonds. De Hoge Raad heeft naar aanleiding van deze zaak bij arrest van 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:346, het Hof van Justitie verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen. Deze zaak is door het Hof van Justitie geregistreerd onder nummer C-157/17 (hierna kortweg: de Britse zaak).
    2.2.3
    Het Hof van Justitie heeft bij beslissing van 5 april 2017 de zaak met nummer C-156/17 voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd met de Britse zaak (C-157/17).

1.3 Afzien van het stellen van prejudiciële vragen

  • R.M.T. de Vries, Staatsaansprakelijkheid: een status update, BtwBrief 2018/30
    De hoogste rechter mag afzien van het stellen van prejudiciële vragen ingeval zij heeft vastgesteld dat (i) de opgeworpen vraag niet relevant is, (ii) de betrokken Unierechtelijke bepaling door het HvJ reeds is uitgelegd (acte éclairé) of (iii) de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (acte clair).
    Zie: HvJ 9 september 2015, C-72/14 (X), punt 55
  • Conclusie van Advocaat-generaal Wattel van 29 november 2024, nr. 24/02923
    Gegeven de wijze waarop de belanghebbende zowel bij de feitenrechter als in cassatie het EU-recht aan de orde heeft gesteld, volgt uit de HvJ-arresten Consorzio en KUBERA wel dat als u geen vragen stelt aan het HvJ omdat u Promo 54 niet in tegenspraak acht met (r.o. 55 van) Kozuba, die reden voor niet-verwijzen in beginsel uit uw arrest moet blijken. Ook als u de zaak met art. 81 Wet RO zou willen afdoen, zal volgens KUBERA in beginsel enige EU-rechtelijke motivering gegeven moeten worden. Onduidelijk is hoeveel. Uit Consorzio en KUBERA volgt dat u minstens één van drie boxes moet checken: (i) irrelevantie voor de beslissing, of (ii) acte clair, of (iii) acte éclairé. Zoals boven bleek, meen ik dat het om een acte éclairé gaat. Gegeven deze conclusie, waar de partijen op kunnen reageren, kunt uoverigens bij verwerping van het cassatieberoep desgeraden wellicht toch volstaan met kale verwijzing naar art. 81 Wet RO, gezien het EHRM-arrest in de Nederlandse strafzaak Baydar, waaruit meer in het algemeen volgt dat niet-motivering van niet-verwijzing pas onvoldoende is in de zin van art. 6 EVRM (en daarmee in de zin van art. 47 EU-Handvest van de Grondrechten) als uw uitspraak daardoor in de omstandigheden van het geval arbitrary of manifestly unreasonable is.
  • In Consorzio oordeelde het Hof van Justitie op basis van art. 267 lid 3 VWEU (verwijsplicht hoogste rechters) junctoart. 47 Handvest Grondrechten EU (eerlijk proces) dat nationale hoogste rechters, als zij een opgeworpen vraag van EU-recht niet prejudicieel voorleggen aan het Hof van Justitie, moeten aangeven dat die vraag ofwel (i) niet relevant is voor het geschil, ofwel (ii) al beantwoord is door het Hof van Justitie (acte éclairé), ofwel (iii) maar op één manier beantwoord kan worden (acte clair), dus één van de drie bekende Cilfit-uitzonderingen op hun verwijzingsplicht met zoveel woorden moeten noemen. Bron: BNB 2025/21
  • Arrest Gondert tegen Duitsland over de motiveringsplicht bij het niet stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU
  • Raad van State, 5 maart 2015, nr. 201500670/1/V2, ECLI:NL:RVS:2015:785 - Vreemdelingenrecht - Motivering niet stellen vragen
    1.1 (…) Ingevolge artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, zich bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel. (…)
    1.6. Uit het arrest Hansen kan worden afgeleid dat de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende algemene motiveringsplicht zich er niet tegen verzet dat een rechter met toepassing van een specifiek wettelijke bepaling volstaat met een beknopte motivering. Nu de motiveringsplicht ten aanzien van verzoeken om prejudiciële verwijzing een specifiek onderdeel vormt van de algemene motiveringsplicht, volgt hieruit dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM zich ook niet verzet tegen het afwijzen van een dergelijk verzoek met een beknopte motivering met toepassing van een specifiek wettelijke bepaling.
    1.7. Een uitspraak met toepassing van en onder verwijzing naar artikel 91, tweede lid, Vw 2000 is een beknopt gemotiveerde uitspraak, als bedoeld in het arrest Hansen, en geeft aan dat hetgeen is aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Een zodanige uitspraak bevat tevens de vaststelling dat geen vragen aan de orde zijn die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Aangezien prejudiciële vragen op de voet van artikel 267 van het VWEU de uitleg van het Unierecht betreffen en daarmee rechtsvragen zijn, ligt in een dergelijke uitspraak besloten dat geen aanleiding bestaat om een prejudiciële vraag te stellen. De uitspraak impliceert daarmee dat zich in de betreffende zaak één van de situaties voordoet waarin van het stellen van prejudiciële vragen kan worden afgezien, te weten dat de opgeworpen prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil dan wel dat deze kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie of dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop deze vragen over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost (zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, punten 10, 13, 14 en 16).
    1.8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 1.6 is overwogen, is, anders dan de vreemdelingen betogen, een beknopt gemotiveerde uitspraak met toepassing van en onder verwijzing naar artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 in het geval een verzoek om prejudiciële verwijzing is gedaan, niet in strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM, zoals vervat in artikel 47 van het Handvest. Een zodanige uitspraak is evenmin in strijd met artikel 13 van het EVRM, zoals ook vervat in voormeld artikel 47. Het EHRM heeft in het arrest van 3 november 2011, Arvelo Aponte tegen Nederland, nr. 28770/05 (www.echr.coe.int) overwogen dat de omstandigheid dat een hoger beroep met een beknopte motivering ongegrond wordt verklaard, op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt dat geen daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM is geboden.
    1.9. Derhalve bestaat geen aanleiding om in uitspraken met toepassing van en onder verwijzing naar artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 te vermelden dat is verzocht om prejudiciële vragen te stellen en afzonderlijk te motiveren dat en waarom een zodanig verzoek is afgewezen. Deze wijze van afdoening, die reeds voor het arrest Dhahbi is ingezet en na dat arrest is gehandhaafd, zal daarom worden voortgezet.
  • Remling, C-767/23
  • HvJ: Kuit

1.4 Omgaan van het HvJ

  • Conclusie van Advocaat-generaal Wattel van 29 november 2024, nr. 24/02923
    1.16 Om de redenen uiteengezet in 1.9 lijken mij prejudiciële vragen echter niet nodig. Ik baseer dat met name op ’s Hofs zware nadruk op mededingingsneutraliteit en vergelijkbare btwinning in alle lidstaten, op r.o. 55 van Kozuba (‘op één lijn met een nieuw gebouw’) en op de volstrekte onwaarschijnlijkheid dat een 3-kamer zonder conclusie en zonder enige toelichting in 2023 zou willen afwijken van een 5-kamerarrest mét conclusie uit 2017, mede gegeven dat het 2023-arrest routineus en kennelijk instemmend verwijst naar het 2017-precedent, zij het merkwaardigerwijs niet naar r.o. 55 van Kozuba. Als het HvJ ‘om’ wil gaan, moet de zaak immers in beginsel naar een grote kamer (15 rechters).

1.5 Acte clair

  • Conclusie van advocaat-generaal N. Emiliou van 9 oktober 2025, Zaak C‑386/24, Centro Petroli Roma Srl, ECLI identifier: ECLI:EU:C:2025:775
    31. (…) In dit verband heeft het Hof consequent verklaard dat, alvorens tot het besluit te komen dat er inderdaad sprake is van een acte clair, de nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, ervan overtuigd dient te zijn dat de gehanteerde oplossing „even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten die in laatste aanleg uitspraak doen, en voor het Hof”.(7)

    Voetnoot 7:
    Zie met name arrest Consorzio, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak. In dit verband zij erop gewezen dat deze toets evenzeer geldt voor een zogenoemde situatie van acte éclairé. Zie in diezelfde zin de conclusie van advocaat-generaal Ćapeta in de zaak Remling (C-767/23, EU:C:2025:486, punt 33).

    33. (…) Het volstaat dat de nationale rechter, nadat hij naar behoren de kenmerken van het Unierecht, de specifieke moeilijkheden met betrekking tot de uitlegging van dit recht en het risico op uiteenlopende rechterlijke beslissingen binnen de Europese Unie naar behoren in overweging heeft genomen, er vast van overtuigd is dat deze andere rechters tot dezelfde conclusie zouden komen.(9)
    34. (…) Eenvoudig gezegd moet de nationale rechter beoordelen of er voor hem elementen zijn die een alternatieve uitlegging, te weten een uitlegging die verschilt van die welke hem prima facie juist voorkomt, van de betrokken Unierechtelijke bepaling ondersteunen, waarbij die alternatieve uitlegging aannemelijk genoeg is om niet zonder meer terzijde te kunnen worden geschoven.(10)

1.6 Verplichting motiveren niet stellen van prejudiciële vragen

  • Conclusie van advocaat-generaal N. Emiliou van 9 oktober 2025, Zaak C‑386/24, Centro Petroli Roma Srl, ECLI identifier: ECLI:EU:C:2025:775
    35. In dit verband moet er ook aan worden herinnerd dat, zoals het Hof in punt 51 van zijn arrest in de zaak Consorzio heeft geoordeeld, een nationale rechter in laatste aanleg die van oordeel is dat hij niet gehouden is door de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing, zijn beslissing moet motiveren.
    36. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak KUBERA heb uiteengezet, varieert de vereiste mate van gedetailleerdheid van de motivering noodzakelijkerwijs, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van elke zaak. Naar mijn mening zou het normaal gesproken moeten volstaan dat de betrokken nationale rechter:
  • * i) uitdrukkelijk de aangevoerde uitzondering (onder de uitzonderingen die in de CILFIT-rechtspraak(11) zijn gecodificeerd) vermeldt, en
  • * ii) in het kort uitlegt waarom hij deze uitzondering van toepassing acht.
    Dit sluit echter niet uit dat in bepaalde specifieke gevallen een meer gedetailleerde motivering nodig kan zijn, of, omgekeerd, dat de redenen voor de weigering om te verwijzen zo voor de hand liggen dat een expliciete verklaring daaromtrent overbodig is.(12)

1.7 Bevoegdheid Hof van Justitie tot beantwoording van prejudiciële vragen

Artikel 267 VWEU voorziet in een bevoegdheid van het Hof van Justitie tot beantwoording van onder meer vragen over de interpretatie en geldigheid van handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. Dergelijke vragen kunnen (soms: moeten) worden gesteld door een rechterlijke instantie van een van de lidstaten indien zij een beslissing op dat punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.

Deze bevoegdheid van het Hof van Justitie geldt ook indien de desbetreffende bepalingen van het Unierecht niet rechtstreeks van toepassing zijn maar toepasselijk zijn gemaakt doordat het nationale recht naar de inhoud van die bepalingen verwijst (HvJ 18 oktober 1990, C-297/88 en C- 197/89, Dzodzi, ECLI:EU:C:1990:360, punten 36-39; HvJ 17 juli 1997, Leur-Bloem, C-28/95, ECLI:EU:C:1997:369, punt 34). Hetzelfde geldt indien het recht van de Unie toepasselijk is gemaakt door contractuele bepalingen (HvJ 25 juni 1992, C-88/91, Federconsorzi,ECLI:EU:C:1992:276, punt 8). Het kan gaan om een specifieke verwijzing, een bepaling die weliswaar strekt tot implementatie van EU-recht maar niet de beperking in werkingssfeer bevat die voortvloeit uit het geïmplementeerde EU-recht of om een algemene bepaling van nationaal recht die voorschrijft dat eigen onderdanen dezelfde rechten moeten worden toegekend als die een burger van een andere lidstaat in dezelfde omstandigheden aan het EU-recht zou ontlenen (HvJ 15 november 2016, C-268/15, Ullens de Schooten, ECLI:EU:C:2016:874). Ratio is dat de Europese Unie er belang bij heeft dat uit het Unierecht overgenomen bepalingen uniform worden uitgelegd teneinde uiteenlopende uitleggingen in de toekomst te vermijden. In het verlengde van deze rechtspraak heeft het Hof van Justitie zich ook bevoegd geacht prejudiciële vragen te beantwoorden indien de feiten van het geschil weliswaar buiten de werking van het EU-recht vallen maar niet kan worden uitgesloten dat in andere lidstaten wonende burgers interesse zouden hebben gebruik te maken van marktvrijheden en de uitspraak van de nationale rechter dan voor hen betekenis zou kunnen hebben of dat deze betekenis ook in andere gevallen aan de orde is (HvJ 15 november 2016, C-268/15, Ullens de Schooten, ECLI:EU:C:2016:874, punten 50 en 51).

Voorwaarde voor deze uitzondering op de regel dat het Hof van Justitie niet bevoegd is prejudiciële vragen te beantwoorden in zaken waarvan de feiten buiten de werkingssfeer van de bepalingen van EU-recht vallen waarnaar in de vragen wordt verwezen, is dat die bepalingen rechtstreeks en onvoorwaardelijk toepasselijk zijn gemaakt (HvJ 21 december 2011, C-482/10, Cicala, ECLI:EU:C:2011:868, punt 19; recent: HvJ 13 november 2025, C-197/24, Sil’arsky, ECLI:EU:C:2015:876, punt 37).

Deze laatstgenoemde voorwaarde brengt mee dat de verwijzende rechter gebonden is aan de interpretatie die het Hof van Justitie geeft. Als uit het antwoord van het Hof van Justitie zou volgen dat het nationale recht in strijd is het verdragsrecht zal dat ook betekenis hebben voor de wettigheid van secundair Unierecht.

De verwijzende rechter moet in zo’n geval motiveren in welk opzicht in het bij hem aanhangige geschil sprake is van aanknoping bij de bepalingen van het Unierecht zodat beantwoording van de vraag noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil ( HvJ 21 december 2021, C-38/21, C-47/21 en C-232/21, ECLI:EU:C:2023:1014, punt 207).


2. Regelgeving

3. Jurisprudentie


4. Literatuur


formeel/prejudiciele_procedure.txt · Last modified: by avdoesum · Currently locked by: 216.73.217.59,172.17.0.1