Site Tools


verschuldigdheid:aansprakelijkheid

Aansprakelijkheid

1. Aantekeningen

  • C‑278/24, Genzyński
    58. Een mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid als dat van artikel 116 van het belastingwetboek helpt om btw-bedragen in te vorderen die een belastingplichtige rechtspersoon niet heeft betaald binnen de in de btw-richtlijn gestelde dwingende termijnen. Een dergelijk mechanisme draagt er dus overeenkomstig de in artikel 325, lid 1, VWEU vastgestelde verplichting toe bij dat de btw juist wordt geïnd in de zin van artikel 273 van deze richtlijn (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 61).

2. Regelgeving

2.1 Inlenersaansprakelijkheid

Eigenbouwer en de fiscale eenheid omzetbelasting

3. Jurisprudentie

3.1 Artikel 205 Btw-richtlijn

3.1.1 Conclusie Kokott, MC, C-1/21
  • Conclusie AG Kokott, MC, zaak C-1/21, r.o. 45
    45. Artikel 205 van de btw-richtlijn strekt ertoe de schatkist ervan verzekeren dat de belasting over de toegevoegde waarde op doeltreffende wijze wordt geïnd bij degene bij wie dat in de betreffende situatie het meest adequaat kan geschieden, met name wanneer de contractanten zich niet in dezelfde lidstaat bevinden of wanneer de aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen transactie betrekking heeft op handelingen die zodanig specifiek zijn dat een andere dan de in artikel 193 van die richtlijn bedoelde persoon moet worden aangewezen.(15)
    (…)
    69. Volgens het Hof vormt het in verband met de aansprakelijkheid op grond van artikel 205 van de btw-richtlijn geen beletsel dat deze aansprakelijkheid zich niet alleen uitstrekt tot de belastingschuld, maar ook tot de vertragingsrente van een derde.(22)Ook al heeft volgens de bewoordingen van artikel 205 van de btw-richtlijn de hoofdelijke aansprakelijkheid enkel betrekking op de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde, deze bepaling staat er niet aan in de weg dat de lidstaten voorschrijven dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de betrokken persoon zich uitstrekt tot alle kosten die samenhangen met die belasting. Deze kosten omvatten ook de vertragingsrente die de belastingplichtige verschuldigd is wegens niet-betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.(23)

3.2 Conclusie Kokott, Vaniz
  • Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott van 4 september 2025, ecli:EU:C:2025:675, Zaak C‑121/24 „Vaniz” EOOD tegen Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” – Veliko Tarnovo
    37. Het arrest in de zaak ALTI(25) brengt hierin geen verandering. In dat arrest heeft het Hof echter opgemerkt dat artikel 205 van de btw-richtlijn een lidstaat toestaat om iemand hoofdelijk tot voldoening van de btw verplicht te houden, wanneer deze had moeten weten dat de over deze transactie verschuldigde belasting onbetaald zou blijven.(26)
    38. Maar – aldus het Hof van Justitie – daardoor mag geen systeem van onvoorwaardelijke aansprakelijkheid worden ingevoerd. Handelaren die alles doen wat redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om te zorgen dat hun transacties geen onderdeel vormen van een keten waarin misbruik of fraude wordt gepleegd, moeten immers kunnen vertrouwen op de rechtsgeldigheid van deze transacties, zonder het risico te lopen dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze door een andere belastingplichtige verschuldigde belasting.(27)
    56. Artikel 205 van de btw-richtlijn veronderstelt dus dat er een (rechtvaardigende) grondslag bestaat voor aansprakelijkheid voor belastingschulden van derden. Deelname aan fraude of eigen misbruik kan, gelezen in samenhang met artikel 273 van de btw-richtlijn, een dergelijke grondslag voor aansprakelijkheid vormen (zie punten 29 e.v. hierboven). Dit leidt volgens de rechtspraak reeds tot een eigen belastingschuld van de betrokkene.(44) Kennis van een mogelijk toekomstig verzuim van de medecontractant om diens naar behoren aangegeven belastingschulden te betalen, is echter niet voldoende

3.1.2 Specifieke of algemene aansprakelijkheid?
  • Geldt artikel 205 van de Btw-RL alleen voor aansprakelijkheid voor de btw op 1 of meer specifieke btw-handelingen (en dus niet voor een algemene aansprakelijkheid voor btw-schulden)?
    Zie: Adjak
    HvJ 27 februari 2025, Zaak C-277/24 M. B. tegen Dyrektor Izby Administracji Skarbowej we Wrocławiu. (Adjak), ECLI:EU:C:2025:130
    35 Wat in de eerste plaats de btw-richtlijn betreft, zij in herinnering gebracht dat volgens artikel 205 ervan de lidstaten in de situaties bedoeld in de artikelen 193 tot en met 200 en 202 tot en met 204 van deze richtlijn kunnen bepalen dat een andere persoon dan de belastingschuldige hoofdelijk verplicht is de btw te voldoen.
    36 De artikelen 193 tot en met 200 en 202 tot en met 204 van de btw-richtlijn bepalen welke personen tot voldoening van de btw gehouden zijn, overeenkomstig het voorwerp van afdeling 1, met als opschrift „Tegenover de schatkist tot voldoening van de belasting gehouden personen”, van titel XI, hoofdstuk 1, van deze richtlijn, waarvan deze bepalingen deel uitmaken. Artikel 193 van deze richtlijn bepaalt als hoofdregel weliswaar dat de btw verschuldigd is door de belastingplichtige die een belastbare goederenlevering of een belastbare dienst verricht, maar uit de bewoordingen van dit artikel blijkt ook dat in de in de artikelen 194 tot en met 199 ter en 202 van deze richtlijn bedoelde situaties andere personen tot voldoening van deze belasting kunnen of moeten worden gehouden (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
    37 Zo volgt uit de context van de artikelen 193 tot en met 205 van de btw-richtlijn dat artikel 205 van deze richtlijn deel uitmaakt van een geheel van bepalingen die beogen de tot voldoening van de btw gehouden persoon in verschillende situaties vast te stellen (arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
    38 Artikel 205 van de btw-richtlijn staat de lidstaten in beginsel dus toe om ten behoeve van een doeltreffende inning van de btw maatregelen vast te stellen op grond waarvan een andere persoon dan degene die uit hoofde van de artikelen 193 tot en met 200 en 202 tot en met 204 van deze richtlijn normalerwijze tot voldoening van deze belasting is gehouden, hoofdelijk verplicht is die belasting te voldoen (arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
    39 In het onderhavige geval blijkt niet uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid waarin artikel 116 van het belastingwetboek in Polen voorziet, tot doel heeft een persoon aan te wijzen die de belasting op een of meerdere bepaalde belastbare handelingen moet voldoen in de zin van de artikelen 193 en 205 van de btw-richtlijn, in hun onderlinge samenhang gelezen. De krachtens dit mechanisme aangewezen leden of voormalige leden van de raad van bestuur van een vennootschap kunnen immers, onder bepaalde voorwaarden, hoofdelijk aansprakelijk worden geacht voor alle of een deel van de btw-schulden van deze rechtspersoon, zonder dat deze schulden zijn verbonden aan een of meerdere specifieke belastbare handelingen.
    40 Derhalve is artikel 205 van de btw-richtlijn in de omstandigheden van het hoofdgeding niet van toepassing (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punten 51, 52 en 54).

3.1.3 Grenzen toepassing art. 205 Btw-richtlijn
  • Konreo
    32. Zo heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 205 van de btw-richtlijn een lidstaat toestaat om iemand hoofdelijk tot voldoening van de btw verplicht te houden wanneer deze ten tijde van de te zijnen behoeve verrichte transactie wist of had moeten weten dat de over deze of een eerdere of latere transactie verschuldigde belasting onbetaald zou blijven, en om zich dienaangaande op vermoedens te baseren, mits deze vermoedens niet op een dusdanige wijze worden geformuleerd dat het voor de belastingplichtige in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt om ze door het bewijs van het tegendeel te weerleggen en daardoor een systeem van onvoorwaardelijke aansprakelijkheid wordt ingevoerd dat verder gaat dan noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten van de schatkist. Handelaren die alles doen wat redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat hun transacties geen onderdeel vormen van een keten waarin misbruik of fraude wordt gepleegd, moeten namelijk kunnen vertrouwen op de rechtsgeldigheid van deze transacties, zonder het risico te lopen dat zij hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor deze door een andere belastingplichtige verschuldigde belasting (arresten van 20 mei 2021, ALTI, C-4/20, EU:C:2021:397, punt 36, en 12 december 2024, Dranken Van Eetvelde, C-331/23, EU:C:2024:1027, punt 26).

3.2 Prejudiciële vragen bestuurdersaansprakelijkheid


3.3 Bestuurdersaansprakelijkheid - Disproportionele tegenbewijsregeling

  • HR 6 oktober 2023, nr. 21/03566, ECLI:NL:HR:2023:1371, BNB 2023/157 (Prejudiciele vragen Herdijk)
    5.6.5 Hetgeen hiervoor in 5.6.4 is overwogen, komt erop neer dat een bestuurder alleen in geval van overmacht of als hij te goeder trouw is afgegaan op het advies van een derde die hij voor voldoende deskundig mocht houden, aannemelijk zal kunnen maken dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet op de juiste wijze aan zijn meldingsplicht heeft voldaan. Dit zijn zodanig bijzondere omstandigheden dat moet worden aangenomen dat een bestuurder in de praktijk het vereiste bewijs niet zal kunnen leveren in verreweg de meeste gevallen waarin het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan de meldingsplicht heeft voldaan. Bijgevolg zal de bestuurder hoogst zelden worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs ter weerlegging van het vermoeden dat het aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur is te wijten dat het lichaam zijn belastingschulden niet heeft betaald. Anders dan de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BL0202, rechtsoverweging 5.3, is hij daarom thans van oordeel dat het voor een bestuurder van een lichaam dat niet op de juiste wijze aan zijn meldingsplicht heeft voldaan, in de praktijk uiterst moeilijk is dat tegenbewijs te leveren en aldus te ontkomen aan aansprakelijkheid voor belastingschulden van het lichaam, waaronder omzetbelastingschulden.

3.4 Artikel 205 Btw-RL

  • Adjak
    CJEU 27 February 2025, Case C-277/24 Adjak (M. B. v Dyrektor Izby Administracji Skarbowej we Wrocławiu), ECLI:EU:C:2025:130
    38. Artikel 205 van de btw-richtlijn staat de lidstaten in beginsel dus toe om ten behoeve van een doeltreffende inning van de btw maatregelen vast te stellen op grond waarvan een andere persoon dan degene die uit hoofde van de artikelen 193 tot en met 200 en 202 tot en met 204 van deze richtlijn normalerwijze tot voldoening van deze belasting is gehouden, hoofdelijk verplicht is die belasting te voldoen (arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika”, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

4. Literatuur


verschuldigdheid/aansprakelijkheid.txt · Last modified: by avdoesum · Currently locked by: 216.73.217.59,172.17.0.1